Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 52008IE1526

Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De EU-economie: evaluatie over 2007 — Verlegging van Europa's productiviteitsgrens

PB C 77 van 31.3.2009, pp. 131–138 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

31.3.2009   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 77/131


Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité over De EU-economie: evaluatie over 2007 — Verlegging van Europa's productiviteitsgrens

(2009/C 77/28)

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft op 17 januari 2008 besloten om, overeenkomstig artikel 29, lid 2, van zijn reglement van orde, een initiatiefadvies op te stellen over:

De EU-economie: evaluatie over 2007 — Verlegging van Europa's productiviteitsgrens.

De gespecialiseerde afdeling Economische en Monetaire Unie, economische en sociale samenhang, die met de voorbereidende werkzaamheden was belast, heeft haar advies op 3 juni 2008 goedgekeurd; rapporteur was de heer Morgan.

Het Europees Economisch en Sociaal Comité heeft tijdens zijn op 17 en 18 september 2008 gehouden 447e zitting (vergadering van 18 september) onderstaand advies uitgebracht, dat met 108 stemmen vóór en 4 stemmen tegen, bij 5 onthoudingen, werd goedgekeurd.

1.   Conclusies en aanbevelingen

1.1

Dit advies is het meest recente in een reeks EESC-adviezen over economische governance in de EU. Het is gebaseerd op de Mededeling van de Commissie „De EU-economie: evaluatie over 2007Verlegging van Europa's productiviteitsgrens”, COM(2007) 721 final.

1.2

De evaluatie over 2007 begint met de constatering dat, hoewel de Europese Unie een van de geavanceerdste en productiefste economieën ter wereld is, er in termen van het BBP nog steeds een grote kloof bestaat tussen de levensstandaard in de Europese Unie en de meest geavanceerde economie in de wereld: die van de Verenigde Staten. Dit komt door de uiteenlopende productiviteitsontwikkeling in de verschillende sectoren en lidstaten.

1.3

Terwijl gegevens over de VS een nuttige maatstaf vormen om de prestaties van de lidstaten aan af te meten, wordt in dit advies de nadruk gelegd op vergelijkingen tussen landen in de EU. Factoren zoals sociale modellen, werktijden en arbeidsparticipatie zijn van invloed op vergelijkingen met de VS, maar dit zijn niet de zaken waar het in dit advies om gaat. Hierin wordt alleen nagegaan waarom sommige EU-lidstaten meer welvaart en werkgelegenheid weten te creëren dan andere.

1.4

De kerngedachte van het Commissiedocument is dat de tenuitvoerlegging van de Lissabonagenda de lidstaten tevens zal helpen om zowel de werkgelegenheid als de welvaart te laten groeien. Op een aantal belangrijke beleidsterreinen kan een grote bijdrage worden geleverd aan een hogere productiviteitsgroei. Het beleid dient hier gericht te zijn op:

bevordering van investeringen in O&O;

ontwikkeling van internationaal vooraanstaande onderzoeks- en onderwijsinstellingen die nauw samenwerken met het bedrijfsleven;

totstandbrenging van een volledig werkende, open en concurrerende interne markt;

vergroting van de flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt via een geïntegreerde aanpak, die tot stand dient te komen in overleg met de sociale partners;

verbetering van de kwaliteit van de overheidsfinanciën.

1.5

Dit beleid wordt des te belangrijker vanwege de veranderingen in de mondiale economie die zich sinds de Europese Raad van Lissabon van 2000 hebben voorgedaan. Niet alleen de huidige crisis op de financiële markten behoort tot de nieuwe uitdagingen, maar ook het evenwicht tussen vraag en aanbod van fossiele brandstoffen, de klimaatverandering, de groeiende voedseltekorten en de stijgende vraag naar grondstoffen in het algemeen. Hierdoor worden investeringen in O&O en wereldwijd toponderzoek van nog groter belang. Deze uitdagingen maken duidelijk dat er een concurrerende interne markt nodig is die gebaseerd is op doeltreffende maatregelen voor flexizekerheid op de arbeidsmarkt en degelijke overheidsfinanciën.

1.6

In eerdere EESC-adviezen over de economische governance in de EU — die hieronder in de Inleiding worden genoemd en waarin het Comité benadrukt dat maatregelen ter verbetering van het concurrentievermogen aan de aanbodzijde gepaard moeten gaan met een macro-economische beleidsmix die bevorderlijk is voor inkomen, vraag en werkgelegenheid — wordt dieper ingegaan op de macro-economische factoren aan de vraag- en de aanbodzijde. In dit advies zal vooral worden aangetoond dat er — ondanks factoren aan de vraagzijde — een sterke correlatie bestaat tussen de in de Lissabonagenda vastgelegde hervormingen aan de aanbodzijde en de groei van het BBP.

1.7

In de onlangs gepubliceerde Lisbon Scorecard voor 2007 (1) worden de topposities ingenomen door de volgende zeven landen (in de juiste volgorde): Denemarken*, Zweden*, Oostenrijk*, Nederland*, Finland*, Ierland* en het Verenigd Koninkrijk*, gevolgd door Duitsland en Frankrijk (2). Van de nieuwe lidstaten gingen Slovenië* en Estland* aan kop. De hekkensluiters van de EU-15 waren Spanje, Griekenland, Portugal en Italië. Over het geheel genomen werden Nederland, Oostenrijk en Estland geprezen voor de meest efficiënte tenuitvoerlegging van de Lissabonstrategie. Griekenland en Italië werden het minst efficiënt bevonden. Welk effect heeft een goede tenuitvoerlegging van het Lissabonprogramma op de productiviteit en de werkgelegenheid?

1.8

Hoewel nog veel meer factoren een rol spelen, luidt de conclusie van de in dit advies uitgevoerde analyse dat er inderdaad een nauw verband bestaat tussen de tenuitvoerlegging van de Lissabonagenda enerzijds en groei van de werkgelegenheid en het BBP per hoofd van de bevolking anderzijds. In zijn algemeenheid geldt het omgekeerde eveneens; landen die de hervormingen van Lissabon slecht doorvoeren, leveren ook slechte prestaties. Naar aanleiding van deze conclusie roept het EESC de lidstaten ertoe op om het volledige Lissabonprogramma zo spoedig mogelijk volledig ten uitvoer te leggen.

1.9

Er zij op gewezen dat elk element in het programma van groot belang is. Het Comité zou met name graag zien dat er meer wordt geïnvesteerd in kennis, onderwijs en O&O. Het lijdt geen twijfel dat concurrentie bevorderlijk is voor innovatie, zodat de economieën in de EU deze zullen moeten aangaan om de uitdagingen van de mondialisering het hoofd te kunnen bieden. Om de productiviteit van de economieën van de lidstaten te maximaliseren, moeten productiefactoren van noodlijdende sectoren worden overgebracht naar opkomende en florerende sectoren. Dit brengt met zich mee dat lidstaten middelen moeten vrijmaken voor flexizekerheid. Tot slot moge duidelijk zijn dat de economische prestaties van lidstaten sterk afhankelijk zijn van een degelijk beheer van de overheidsfinanciën.

1.10

In het advies dat het EESC in maart 2000 heeft voorgelegd aan de Raad van Lissabon (3), staat het volgende: „Het Comité is ervan overtuigd dat er in Europa genoeg innovatief vermogen, creativiteit, kennis en ondernemingszin voorhanden is om tot een voortreffelijk nieuw paradigma (i.e. de informatiemaatschappij) te komen. Maar deze capaciteiten moeten wel de kans krijgen om aan het licht te treden. In plaats van beletsels moeten er kansen worden geschapen. Stimulansen moeten in de plaats van boetes komen. De afgelopen tien jaar is een tijd geweest van liberalisering van economische bedrijvigheid in Europa, nu is het tijd voor vrijmaking van de energie waarover Europese burgers beschikken.” Anno 2008 valt er nog veel te doen, maar de Lissabonagenda wijst de juiste weg.

2.   Inleiding

2.1

Dit advies is het meest recente in een reeks EESC-adviezen over economische governance. Het is opgesteld naar aanleiding van de Mededeling van de Commissie „De EU-economie: evaluatie over 2007Verlegging van Europa's productiviteitsgrens”, COM(2007) 721 final. Het voorgaande advies van september 2007 ging over „De economie in de EU: Herziening richtsnoeren 2006. Versterking van de eurozonebelangrijkste beleidsprioriteiten”.

2.2

In dit advies heeft het EESC getracht de groei van de werkgelegenheid en het BBP per hoofd van de bevolking in de lidstaten in verband te brengen met de diverse beleidsaanbevelingen die in de Mededeling van de Commissie worden gedaan. In dit opzicht wijkt onderhavig advies nogal af van de conclusies van het eerdere advies inzake de Evaluatie over 2006, waarin een uiteenzetting werd gegeven van de binnenlandse sociaal-economische situatie en uiteenlopende beleidsdoelstellingen die aan de maatregelen van de lidstaten ten grondslag liggen.

2.3

In eerdere adviezen (van oktober 2006 (4) en februari 2006 (5)) werd ingegaan op de Globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GREB) voor de periode 2005-2008, terwijl er in maart 2004 een advies is uitgebracht over de Globale richtsnoeren voor het economisch beleid 2003-2005 (6). Het EESC heeft de aanbeveling van de Commissie inzake de GREB 2008-2010 ontvangen, maar stelt vast dat deze ongewijzigd zijn ten opzichte van de GREB voor 2005-2008. Op grond van zijn eerdere werkzaamheden op het gebied van de GREB heeft het EESC ervoor gekozen om de Evaluatie van de EU-economie over 2007 te gebruiken als uitgangspunt voor dit advies.

2.4

In oktober 2006 heeft het EESC een analyse gemaakt van de regels die van invloed zijn op de overkoepelende doelstellingen van prijsstabiliteit, groei en werkgelegenheid. Dit advies houdt zich meer bezig met beleid dan met regelgeving. In februari 2006 bracht het EESC zijn advies over de GREB 2005-2008 uit. Hoewel dat advies een breed spectrum bestreek, onderschreef het in grote lijnen dezelfde beleidsagenda voor de groei van werkgelegenheid en productiviteit die het uitgangspunt van onderhavig advies vormt. In beide eerdere adviezen bekeek het EESC de factoren die van invloed zijn op de vraag. In onderhavig advies wordt ingegaan op de voorstellen van de Commissie voor hervormingen aan de aanbodzijde.

2.5

Het Comité benadrukt dat maatregelen ter verbetering van het concurrentievermogen aan de aanbodzijde gepaard moeten gaan met een macro-economische beleidsmix die bevorderlijk is voor inkomen, vraag en werkgelegenheid. Voor een passende beleidsmix verwijst het Comité naar zijn nog altijd actuele advies van maart 2004.

2.6

Het Commissiedocument „De EU-economie” nr. 8/2007 bestaat uit de Mededeling „Verlegging van Europa's productiviteitsgrens” en vier hoofdstukken van in totaal 149 bladzijden:

1.

Productivity trends in Europe: finally turning the corner? (Tendensen in de productiviteit in Europa: klimmen we uit het dal?)

2.

Assessing productivity at the industry level (Evaluatie van de productiviteit in het bedrijfsleven)

3.

Is there a trade-off between productivity and employment? (Bestaat er een wisselwerking tussen productiviteit en werkgelegenheid?)

4.

Policies in pursuit of higher productivity: another look (Beleid ter verhoging van de productiviteit: een andere kijk)

Het Comité stelt met spijt vast dat de Commissie zich beperkt tot aanbevelingen die aan de aanbodzijde het concurrentievermogen moeten vergroten.

In dit advies wordt het in hoofdstuk 4 voorgestelde beleid beoordeeld.

3.   Inhoud van de Mededeling van de Commissie

3.1

De evaluatie over 2007 begint met de constatering dat, hoewel de Europese Unie een van de geavanceerdste en productiefste economieën ter wereld is, er in termen van het BBP nog steeds een grote kloof bestaat tussen de levensstandaard in de Europese Unie en de meest geavanceerde economie in de wereld: die van de Verenigde Staten. Dit komt door de uiteenlopende productiviteitsontwikkeling in de verschillende sectoren en lidstaten.

3.2

Met de vaststelling van de Lissabonstrategie in 2000 heeft de EU de verhoging van haar productiviteit en een robuuste groei van de werkgelegenheid tot absolute prioriteit verheven. De kernpunten van deze strategie waren meer kennis, meer concurrentie en meer flexibiliteit.

3.3

Het realiseren van meer kennis vereist meer en betere investeringen in O&O en menselijk kapitaal. In de Europese Unie moet worden gezorgd voor doeltreffend en kostenefficiënt onderwijs.

3.4

Concurrentie is van cruciaal belang voor zowel het productiviteitsniveau als de productiviteitsgroei. Op grond van empirisch onderzoek heeft de openstelling van markten voor concurrentie inderdaad een gunstige uitwerking gehad op de productiviteit en de groei, maar ook op de werkgelegenheid.

3.5

Meer flexibiliteit is nodig om de productiestructuren soepel aan te passen en te komen tot een verdere specialisatie en diversificatie op nieuwe gebieden die comparatieve voordelen opleveren. In de afgelopen jaren hebben de EU-lidstaten maatregelen getroffen om de mobiliteit van bedrijven en werknemers te bevorderen, maar er is een groter en breder pakket maatregelen nodig.

3.6

De conclusie luidt dat er een andere visie nodig is. Op een aantal belangrijke beleidsterreinen kan een grote bijdrage worden geleverd aan een hogere productiviteitsgroei. Het beleid dient hier gericht te zijn op:

bevordering van investeringen in O&O;

ontwikkeling van internationaal vooraanstaande onderzoeks- en onderwijsinstellingen die nauw samenwerken met het bedrijfsleven;

totstandbrenging van een volledig werkende, open en concurrerende interne markt;

vergroting van de flexibiliteit en zekerheid op de arbeidsmarkt via een geïntegreerde aanpak, die tot stand dient te komen in overleg met de sociale partners;

verbetering van de kwaliteit van de overheidsfinanciën.

3.7

Veel wijdverbreide opvattingen zijn inmiddels achterhaald. We weten nu dat: niet alleen grote landen en grote ondernemingen technologische voortrekkers kunnen zijn; de handel niet het voornaamste middel voor de verspreiding van technologie is; ook kleine landen op gespecialiseerde gebieden een voortrekkersrol kunnen spelen; kleine startende bedrijven vaak nieuwe technologieën ontwikkelen, en internationale mobiliteit van werknemers en financieel kapitaal de voornaamste verspreidingsbron van technologieën zijn.

3.8

Op dit moment vormt zich een brede consensus over de factoren die de productiviteitsgroei beperken en over de maatregelen die nodig zijn om de productiviteit op te voeren. Arbeidsmarkt- en productmarktbeperkingen, hindernissen voor buitenlandse directe investeringen, markttoegangsbelemmeringen en belemmeringen om nieuwe technologieën te ontwikkelen en te verspreiden — dit alles kan de productiviteitsgroei voor langere tijd sterk afremmen.

3.9

Aangezien productiviteitsgroei alleen kan worden verwezenlijkt als de minst productieve bedrijven van de markt verdwijnen, is een beleid ter bevordering van middelenoverheveling van groot belang. Wanneer productiviteitsgroei leidt tot hogere inkomens, valt te verwachten dat de vraag van de consument verschuift in de richting van dienstverlening. Aangezien veel dienstverlenende bedrijven een hoge meerwaarde en een hoge productiviteit kennen, kan de economie dan tevens zorgen voor nieuwe banen in sectoren met een uitgesproken lage productiviteit.

4.   Productiviteit en werkgelegenheid

4.1

Het BBP per hoofd van de bevolking hangt van méér dan alleen de Lissabonagenda af. Het is o.m. afhankelijk van de ontwikkeling van opkomende markten (Oost-Europa en Rusland), fluctuaties van de energie- en grondstoffenprijzen en -markten, technologische veranderingen en de mondialisering in het algemeen. De binnenlandse vraag wordt beïnvloed door het inkomensniveau, het werkgelegenheidscijfer en de koopkracht. De sturing van de vraag is sterk afhankelijk van het gevoerde fiscaal en monetair beleid, terwijl de kredietverstrekking ter bevordering van de vraag van het bedrijfsleven en de consument uiteindelijk wordt bepaald door de centrale banken. Zolang de financiële markten in een crisis verkeren, zullen kredieten waarschijnlijk moeilijk te verkrijgen zijn, zal de vraag afnemen en zal het BBP dalen.

4.2

In eerdere EESC-adviezen over economische governance in de EU, die in de Inleiding worden genoemd, wordt dieper ingegaan op macro-economische factoren. In dit advies wordt vooral aangetoond dat er — ondanks factoren van de vraagzijde — een sterke correlatie bestaat tussen de in de Lissabonagenda vastgelegde hervormingen aan de aanbodzijde en de groei van het BBP.

4.3

Het relatieve BBP per hoofd van de bevolking is weergegeven in tabel 1. Er is gekozen voor de jaren 1999 (het jaar waarin de euro werd ingevoerd) en 2007. De toetreding van de nieuwe lidstaten tot de EU vond tussen deze jaren plaats. In deze periode is het BBP van de VS afgenomen van 161,8 % tot 150,9 % ten opzichte van de EU-27. Desondanks zijn de zogenaamde oude lidstaten er niet in geslaagd om van deze relatieve achteruitgang in de VS te profiteren, aangezien het gemiddelde van EU-15 is teruggelopen van 115,3 tot 111,7 (en van 114,5 tot 109,8 voor de eurozone) ten opzichte van de EU-27.

4.4

Wat blijkt uit de werkgelegenheidsstatistieken wanneer we deze BBP-gegevens in aanmerking nemen? In tabel 2 worden de gegevens inzake de werkgelegenheid weergegeven voor de jaren 1998 (het jaar waarin de eerste toetredingsonderhandelingen met de nieuwe lidstaten begonnen) en 2006 (het jaar waarover de meest recente gegevens beschikbaar zijn). De werkloosheidscijfers bestrijken de periode t/m 2007. De werkgelegenheid in de VS liep in deze periode terug van 73,8 % tot 72 % van de actieve bevolking, terwijl de werkloosheid steeg van 4,5 % tot 4,6 %. Tegelijkertijd steeg de werkgelegenheid in de eurozone van 59,2 % tot 64,8 % en daalde de werkloosheid van 10,1 % tot 7,4 %. De EU-15 doet het iets beter dan de eurozone, terwijl de EU-25 het juist iets slechter doet.

4.5

In de onlangs gepubliceerde Lisbon Scorecard voor 2007 worden de topposities ingenomen door de volgende zeven landen: Denemarken*, Zweden*, Oostenrijk*, Nederland*, Finland*, Ierland* en het Verenigd Koninkrijk*, gevolgd door Duitsland en Frankrijk. Van de nieuwe lidstaten gingen Slovenië* en Estland* aan kop. De hekkensluiters van de EU-15 waren Spanje, Griekenland, Portugal en Italië. Over het geheel genomen werden Nederland, Oostenrijk en Estland geprezen voor de meest efficiënte tenuitvoerlegging van de Lissabonstrategie. Griekenland en Italië werden het minst efficiënt bevonden. Welk effect heeft een goede tenuitvoerlegging van het Lissabonprogramma op de productiviteit en de werkgelegenheid?

4.6

Wat betreft het relatieve BBP per hoofd van de bevolking liggen Luxemburg en Noorwegen vóór op de VS. Landen die minder dan 20 % afwijken van de VS zijn Ierland* (zeer goedscorend), Nederland*, Oostenrijk*, Zweden*, Denemarken*, België en (ternauwernood) het Verenigd Koninkrijk* en Finland*. Van de landen buiten de EU schelen IJsland, Zwitserland en Japan minder dan 20 % met de VS. Van de nieuwe lidstaten liggen Cyprus en Slovenië* het dichtst bij het gemiddelde van de EU-27, terwijl de grootste vooruitgang is geboekt door Estland*, gevolgd door Letland, Litouwen, Hongarije en Slowakije.

4.7

De werkgelegenheidscijfers geven veel overeenkomsten met de BBP-cijfers te zien. De werkgelegenheid in de VS ligt net boven de 70 % van de actieve bevolking. Alle in de tabel genoemde landen buiten de EU (waaronder Japan) en buiten de eurozone (Denemarken*, Zweden* en het Verenigd Koninkrijk*) kennen een werkgelegenheidscijfer van meer dan 70 %. Van de landen in de eurozone hebben alleen Nederland* en Oostenrijk* een werkgelegenheid van meer dan 70 %, terwijl Ierland* en Finland* hierbij in de buurt komen. Van de nieuwe lidstaten gaan Cyprus en Estland* aan kop met cijfers rond de 70 %.

4.8

Het werkloosheidspercentage in de VS bedraagt 4,6 %. Ierland*, Nederland*, Oostenrijk*, Denemarken*, Cyprus en Litouwen doen het beter dan de VS, evenals Noorwegen. Luxemburg, het Verenigd Koninkrijk*, de Tsjechische Republiek, Estland* en Slovenië* liggen alle binnen de marge van één procent verschil met de VS. Zweden*, Letland en Malta schelen minder dan twee procent met de VS.

4.9

Uit bovenstaande analyse blijkt dat we moeten kijken naar het beleid en de tendensen in de landen die bovenaan de Lisbon Scorecard staan — Denemarken*, Zweden*, Oostenrijk*, Nederland*, Finland*, Ierland* en het Verenigd Koninkrijk* — en in de hoogst scorende nieuwe lidstaten, namelijk Estland* en Slovenië*. In het kader van dit advies vormen deze landen een watch list en zijn ze voorzien van een asterisk. Er zal worden nagegaan in hoeverre beleid inzake kennis, concurrentie, innovatie en overheidsfinanciën heeft bijgedragen aan het betrekkelijke succes van deze landen. Spanje, Griekenland, Portugal en Italië worden daarentegen opgevoerd als „controlegroep”. Daarnaast mag niet worden vergeten dat beleidsmaatregelen in de grote economieën Frankrijk en Duitsland van grote betekenis blijven voor de EU. In beide landen is sprake van een politieke polarisatie die hervormingen hebben bemoeilijkt, hoewel de eerste resultaten nu toch zichtbaar worden.

5.   Investeren in kennis

5.1

Het Programme for international student assessment van de OESO wordt afgekort tot PISA. Tabel 3 is ontleend aan het in 2006 uitgevoerde onderzoek naar de leesvaardigheid en de vaardigheden in wiskunde en exacte wetenschappen van 15-jarige scholieren in landen die al dan niet tot de OESO behoren.

5.2

Naast Korea, Japan en Zwitserland zijn de landen die louter „A's” scoren Finland* (de afgetekende winnaar), Nederland*, België en Estland*. Landen met twee „A's” zijn de Tsjechische Republiek, Oostenrijk*, Slovenië* en Ierland*. Landen met één „A” die op de lijst staan, zijn Denemarken*, Zweden*, het Verenigd Koninkrijk*, Duitsland en Polen. Duitsland en het Verenigd Koninkrijk scoren een „A” voor exacte wetenschappen. Het Verenigd Koninkrijk* heeft na Slovenië* en Finland* de hoogste score voor exacte wetenschappen (niveau 6). Alle landen op de lijst behalen A-scores. De landen uit de controlegroep staan samen met de VS onderaan de ranglijst.

5.3

Gezien de duidelijke correlatie tussen de prestaties van de onderwijsstelsels enerzijds en de economische prestaties van de lidstaten anderzijds, is het EESC van mening dat de Commissie de kwaliteit van het onderwijs terecht tot prioriteit van de EU verklaart.

5.4

De Jiao Tong-universiteit in Shanghai heeft een methode ontwikkeld voor het classificeren van universiteiten. Er zijn nog meer van dergelijke methoden, maar die van de Jiao Tong-universiteit sluit aan bij de nadruk die de EU legt op exacte wetenschappen en onderzoek.

5.5

De door het PISA gemeten prestaties van het onderwijs in de VS zijn heel middelmatig. De VS heeft daarentegen een concurrentievoordeel op het gebied van hoger onderwijs. Tabel 4 is ontleend aan de classificatie van de Jiao Tong-universiteit. In de top 20 staan 17 Amerikaanse, 2 Britse en 1 Japanse universiteit. Het Verenigd Koninkrijk staat met 10 vermeldingen in de top 100 op de watch list. Van de landen buiten de EU staan ook Japan (6 vermeldingen), Canada (4), Australië (2), Zwitserland (3), Noorwegen (1) en Israël (1) bij de beste honderd. Vijf landen van de watch list staan in de top 100: het Verenigd Koninkrijk*, Nederland* (2), Denemarken* (1), Zweden* (4) en Finland* (1). Geen van de landen uit de controlegroep wordt genoemd. Het wordt tijd om Bologna, Salamanca en Coimbra in hun oude luister te herstellen. Ook Duitsland (6 vermeldingen) en Frankrijk (4) worden prominent genoemd.

5.6

Naast het Verenigd Koninkrijk staan slechts 6 Europese landen in de top 100 van universiteiten; 20 EU-lidstaten zijn niet op de lijst vertegenwoordigd. De Commissie lijkt deze kloof te willen dichten door middel van een Europees Technologisch Instituut. Hoewel het EESC dit project steunt, is het moeilijk voor te stellen hoe een dergelijk instituut tot bloei kan komen zonder de aanwezigheid van de EU in de top 100 te verzwakken. Een alternatieve strategie zou kunnen bestaan in een herziening van het beleid van de lidstaten, gericht op verbetering van de positie van hun toonaangevende universiteiten. Er bestaat dringend behoefte aan een nauwere samenwerking tussen universiteiten en bedrijfsleven, zodat de technologische kennis en vaardigheden kunnen worden ontwikkeld die in de 21e eeuw moeten zorgen voor welvaart en werkgelegenheid.

5.7

Een andere indicator van het universitair onderwijs in de lidstaten zijn de gegevens van Eurostat inzake het aantal hoogopgeleiden in exacte wetenschappen en technologie per duizend inwoners in de leeftijdscategorie tussen de 20 en de 29 jaar. Voor de VS bedraagt dit cijfer 10,6. Lidstaten die minder dan één procentpunt van de VS verschillen, zijn België*, Duitsland, Griekenland, Italië, Letland*, Oostenrijk*, Polen, Roemenië, Slovenië* en Slowakije. Lidstaten met een veel hogere score zijn Denemarken* (14,7), Ierland* (24,5), Frankrijk (22,5), Litouwen* (18,9), Finland* (17,7), Zweden* (14,4) en het Verenigd Koninkrijk* (18,4). Alle landen die zijn voorzien van een asterisk (*) worden vermeld op de watch list. Italië en Griekenland zijn de landen uit de controlegroep die op dit terrein scoren. Het voortgezet en hoger onderwijs in de lidstaten moeten streven naar meer afgestudeerden in exacte wetenschappen en technologie.

5.8

Een van de Lissabondoelstellingen is het verhogen van de EU-uitgaven op het gebied van O&O tot 3 % van het BBP. 2 % hiervan moet afkomstig zijn uit de particuliere sector. Twee landen op de watch list — Zweden* en Finland* — geven meer dan 3 % uit aan O&O. Voor twee andere landen — Denemarken* en Oostenrijk* — ligt dit percentage tussen de 2 % en de 3 %, en hetzelfde geldt voor Duitsland en Frankrijk. De landen die tussen de 1 % en de 2 % besteden, zijn België, de Tsjechische Republiek, Estland*, Ierland*, Nederland*, Slovenië*, Spanje en het Verenigd Koninkrijk* (de meeste hiervan staan op de lijst). Alle overige lidstaten geven minder dan 1 % uit aan O&O, met uitzondering van Hongarije en Italië (beide 1 %). Van de landen uit de controlegroep worden Italië en Spanje genoemd. Het lijkt niet onredelijk om van de betreffende regeringen te verwachten dat ze een vol procentpunt van het BBP besteden aan O&O om deze achterstand in te lopen. In het ideale geval zouden deze gelden moeten worden toegewezen aan universiteiten en onderzoeksinstellingen, zodat deze hun reputatie en hun aanwezigheid in de wetenschappelijke wereld kunnen verbeteren. Momenteel besteden de regeringen van de EU-15 tussen de 0,3 % en de 0,4 % van hun budget aan O&O, terwijl dit percentage voor de nieuwe lidstaten tussen de 0,5 % en de 0,6 % ligt. Er kan en moet méér worden gedaan, met name om de kennis te verwerven die nodig is om de klimaatverandering en de vervuiling aan te pakken.

5.9

Over belastingverlichting voor O&O in de particuliere sector heeft het EESC reeds een advies aan de Commissie doen toekomen (7). Het EESC is van mening dat alle lidstaten beste praktijken en belastingvoordelen moeten invoeren om te zorgen voor meer particuliere investeringen in O&O, met name vanuit het MKB.

5.10

Er bestaat een verband tussen onderwijs, onderzoek, innovatie, technische kennis en werkgelegenheidstendensen. Het op nationaal niveau aanwezige reservoir van kennis en vaardigheden leidt spiraalsgewijs tot investeringen van buitenaf, kennisoverdracht en immigratie. Zonder dit reservoir zijn hooggekwalificeerde werknemers geneigd te gaan zoeken naar een omgeving waarin hun vaardigheden wel op waarde worden geschat. Dit kan leiden tot een spiraal van emigratie en hersenvlucht.

5.11

De beleidsconclusie met betrekking tot onderzoek en onderwijs luidt dat het voortgezet en hoger onderwijs in veel lidstaten moet worden herzien en dat regeringen hun uitgaven voor &O& moeten verhogen. Er is een duidelijk verband tussen de doeltreffendheid van beleid enerzijds en werkgelegenheid en productiviteit anderzijds, zoals blijkt uit zowel de watch list als de controlegroep.

6.   Concurrentie en innovatie

6.1

In de Mededeling van de Commissie worden drie beleidslijnen beschreven om de concurrentie te bevorderen. Het gaat hierbij om de liberalisering en reglementering van netwerkindustrieën, het concurrentiebeleid en de voordelen van de interne markt.

6.2

De voordelen die de interne markt biedt, zijn o.a. de van blootstelling aan buitenlandse concurrentie uitgaande prikkel om te innoveren, schaalvergroting bij de productie, distributie- en marketingvoordelen die de grotere markt met zich meebrengt, en de overdracht van technologieën die voortvloeit uit de openstelling voor buitenlandse investeringen.

6.3

De lidstaten van de EU staan niet allemaal open voor buitenlandse directe investeringen. Op het gebied van technologieoverdracht, managementmethoden, aanwezigheid op de markt en kapitaalinvesteringen zal dit negatief hebben uitgepakt voor lidstaten die niet hebben kunnen profiteren van buitenlandse directe investeringen. Volgens gegevens van Ernst & Young over buitenlandse directe investeringen ziet de top 10 van Europese landen waar in de periode 1997-2006 buitenlandse directe investeringen plaatsvonden, er als volgt uit (in volgorde van het aantal projecten):

Verenigd Koninkrijk

5539

Frankrijk

3867

Duitsland

1818

Spanje

1315

België

1190

Polen

1046

Hongarije

1026

Ierland

884

Tsjechische Republiek

849

Rusland

843

6.4

Buitenlandse directe investeringen zijn zeer belangrijk geweest voor de economische groei in de nieuwe lidstaten. Aangezien de concurrentie van landen overal ter wereld (waaronder India en China) op het gebied van buitenlandse directe investeringen toeneemt, zullen de nieuwe lidstaten de kenniseconomie moeten invoeren om groei en werkgelegenheid te kunnen waarborgen. Aziatische landen blinken uit in de door het PISA uitgevoerde vaardigheidstesten, en Aziatische universiteiten leveren honderdduizenden academici in exacte wetenschappen en technologie af.

6.5

De liberalisering en regulering van de netwerkindustrieën biedt veel mogelijkheden om in alle economische sectoren kosten te besparen en de productiviteit verhogen. Het betreffende beleid omvat drie fasen: allereerst privatisering, vervolgens regulering om nieuwkomers op de markt in staat te stellen om de concurrentie met gevestigde ondernemingen aan te gaan, en tot slot een gescheiden eigendom van netwerken en netwerkdiensten. In haar Verslag over de vorderingen die worden gemaakt bij de totstandbrenging van de interne markt voor gas en elektriciteit  (8) noemt de Commissie het overstappen door de consument van de ene leverancier naar de andere als een maatregel voor doeltreffende concurrentie. Dit wordt in de volgende tabel aanschouwelijk gemaakt:

Overstappercentage

 

 

Elektriciteit

Gas

Duitsland

Grote bedrijven

41

 (9)

 

MKB

7

 (9)

 

Huishoudens

5

 (9)

Frankrijk

Grote bedrijven

15

14

 

Huishoudens

0

0

Spanje

Grote bedrijven

25

60

 

MKB

22

60

 

Huishoudens

19

2

Verenigd Koninkrijk

Grote bedrijven

50 +

85 +

 

MKB

50 +

75 +

 

Huishoudens

48

47

De concurrentie is doorgaans het sterkst ontwikkeld in bepaalde landen van de watch list, hoewel ook Italië en Spanje vooruitgang hebben geboekt.

6.6

De tenuitvoerlegging van het concurrentiebeleid heeft tot doel de efficiëntie en de productiviteit te verhogen, wat gunstig is voor de consument. Dit beleid sluit naadloos aan bij het door het EESC nagestreefde evenwicht tussen de belangen van alle betrokken partijen.

6.7

In de Mededeling wordt geconcludeerd dat concurrentie van cruciaal belang is voor zowel het niveau als het groeipercentage van de productiviteit. Het is veelzeggend dat de op de watch list vermelde economieën tevens de meest open economieën van de EU zijn; ze hebben de hoogste productiviteit, de hoogste participatiegraad en de grootste capaciteit om migrerende werknemers op te nemen. Regeringen van lidstaten doen er verkeerd aan om te proberen hun economieën af te sluiten uit angst voor concurrentie.

7.   Overhevelingsbeleid

7.1

Onder „overheveling” verstaat de Commissie het verschuiven van productiefactoren van noodlijdende sectoren naar opkomende en florerende sectoren.

7.2

Kernbetoog van de Mededeling is dat naarmate de economische groei sterker afhankelijk is van de verschuiving van de technologiegrens, de economie meer structurele veranderingen moet ondergaan. Nieuwe high-tech-sectoren kunnen een marktaandeel verwerven ten koste van krimpende sectoren. Nieuwe bedrijven kunnen belangrijke spelers op de markt worden en bestaande ondernemingen uit de markt drukken of hen dwingen zich aan te passen.

7.3

Aangezien de economie hoe dan ook structurele veranderingen zal moeten ondergaan, is het aanpassingsvermogen van de economie van cruciaal belang om maximaal profijt te kunnen trekken van de technologische veranderingen en de mobiliteit van kennis. De Commissie is echter van mening dat het aanpassingsvermogen van veel lidstaten beperkt is doordat arbeidsmarktinstellingen en -regelgeving weinig ruimte bieden.

7.4

In de Mededeling worden vier belangrijke beleidsmaatregelen voorgesteld om de overheveling van middelen te verbeteren: vergemakkelijking van de markttoegang, vermindering van de administratieve lasten, reglementering van de arbeidsmarkt en integratie van de financiële markt.

7.5

Het EESC is in eerdere adviezen reeds ingegaan op beleidsmaatregelen om de markttoegang te vergemakkelijken. Deze behelzen vermindering van de administratieve rompslomp bij het starten van een bedrijf, diverse steunregelingen voor nieuwe kleine en middelgrote ondernemingen en wijziging van de faillissementswetgeving. Toegang tot financiering en een concurrentiebeleid ter waarborging van concurrerende markten zijn belangrijke elementen van elke strategie ter overheveling van middelen via de oprichting van nieuwe bedrijven.

7.6

Hoewel zowel grote als kleine ondernemingen te maken krijgen met administratieve kosten, zijn de lasten voor kleine bedrijven vanwege hun geringere omvang veel groter. Het verminderen van de administratieve lasten is een van de vijf hoofddoelstellingen van de EU-agenda, maar zoals in de Mededeling wordt erkend, is het verminderen van regelgeving en administratieve kosten problematisch omdat de meeste maatregelen destijds om specifieke redenen zijn ingevoerd. „Ze zijn bedoeld om marktfalen te corrigeren, marktdeelnemers te beschermen of beleidsmakers te voorzien van informatie” (10). Velen in de EU zouden aanvoeren dat de door deze regelgeving geboden sociale bescherming een kernelement van het acquis vormt. Dit neemt niet weg dat de betreffende regelgeving aanzienlijke economische kosten met zich meebrengt.

7.7

Uit onderzoek van de Better Regulation Task Force in het Verenigd Koninkrijk — dat is bevestigd door onderzoek door het Nederlandse Centraal Planbureau — blijkt dat de kosten 3 à 4 % van het BBP kunnen bedragen (11). Naar schatting zou een vermindering van de administratieve kosten met 25 % in de EU er aanvankelijk toe leiden dat het reële BBP met 1 % groeit. Op de lange termijn kan dit zelfs nog meer zijn. Vermindering van deze kosten is zeer wenselijk, maar er zijn geen aanwijzingen dat een initiatief hiertoe van de grond zal komen. Doordat de Europese instellingen zich in hoofdzaak bezighouden met het risico van marktfalen, is het onwaarschijnlijk dat dergelijke verbeteringen zullen worden gerealiseerd. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat het EESC — dat ijvert voor iedere mogelijke bescherming van marktdeelnemers — een aanzienlijke vermindering van de administratieve lasten zal steunen.

7.8

Arbeidsmarktstructuren zijn van grote invloed op de reorganisatie van arbeid. Het effect van markthervormingen op de productiviteit en de werkgelegenheid is groter op flexibele arbeidsmarkten. Hoewel er geen betrouwbare onderzoeken naar de flexibiliteit van de arbeidsmarkt zijn gedaan, geven de werkgelegenheidscijfers van de landen op de watch list zeker een indicatie voor de mate waarin hun arbeidswetgeving de ruimte biedt om op veranderingen in te spelen.

7.9

Het is begrijpelijk dat de Europese arbeidsbeschermingswetgeving omstreden is. In plaats van de door vaste contracten geboden bescherming aan te passen, hebben veel lidstaten daarnaast tijdelijke contracten ingevoerd. De in bovenstaande paragraaf 4 besproken groei van de werkgelegenheid is voor een groot deel toe te schrijven aan deze tijdelijke contracten. Hoewel de gegevens geen uitsluitsel geven over voltijdbanen is de omvang van de werkgelegenheidsgroei bemoedigend en neemt de structurele werkloosheid af.

7.10

Uiteraard moet de ontstane ontwrichting worden gelenigd wanneer de arbeidswetgeving flexibel genoeg wordt gemaakt om de overhevelingen te optimaliseren. Lidstaten moeten dan ook ondersteunende beleidsmaatregelen nemen. Flexizekerheid speelt daarbij een cruciale rol. Er moeten middelen worden vrijgemaakt zodat levenslang leren het aanpassingsvermogen en de inzetbaarheid op de arbeidsmarkt kan vergroten en socialezekerheidsstelsels prikkels kunnen afgeven om deel te nemen aan het arbeidsproces en om reorganisaties te vergemakkelijken, terwijl het arbeidsmarktbeleid mensen moet helpen zich in te stellen op veranderingen en op de hiermee gepaard gaande werkloosheid (in afwachting van een nieuwe en vaste baan). Dergelijk beleid is onontbeerlijk wanneer de arbeidsbescherming flexibeler wordt.

7.11

De eenwording van de financiële markten is het laatste onderdeel van het overhevelingsbeleid. In zijn algemeenheid kan de mate waarin het financiële bestel in de EU gefragmenteerd is, worden gezien als een obstakel voor productiviteit en werkgelegenheid, met name in het geval van startende ondernemingen. Deze tekortkomingen worden aangepakt door de richtlijnen inzake financiële diensten. Naast dit advies stelt het EESC een advies op over grensoverschrijdend risicokapitaal (12). De functie van een goed werkend financieel bestel bij structurele veranderingen komt het sterkst tot uitdrukking in de financiering van startende ondernemingen.

8.   Verbetering van de kwaliteit van de overheidsfinanciën

8.1

Tabel 5 bevat Eurostat-gegevens over de financiën van de lidstaten. De gemiddelde staatsschuld in de eurozone van 12 bedraagt 68,8 % van het BBP en overschrijdt daarmee zowel de EMU-convergentiedoelstelling van 60 % als het gemiddelde voor de EU-15 (63,0 %) en voor de EU-25 (61,9 %). De staatsschuld van de landen die vermeld worden op de watch list ligt over het algemeen onder de 50 % van het BBP (in veel gevallen zelfs ver daaronder). Oostenrijk* (61,7 %) vormt hierop een uitzondering. Bovendien hebben alle landen op de lijst hun staatsschuld in de periode van 1999 tot 2006 verminderd. De verlaging van de staatsschuld van Ierland*, Nederland* en Zweden* is zeer aanzienlijk. Van de landen uit de controlegroep heeft alleen Spanje een staatsschuld van minder dan 50 % van het BBP, wat een gevolg is van een sterke verlaging gedurende de genoemde periode. Italië (106,8 %) en Griekenland (95,3 %) sluiten de rij.

8.2

Van de EU-15 hadden België, Ierland*, Spanje, Luxemburg, Nederland*, Finland*, Denemarken* en Zweden* een positief begrotingssaldo. De overige landen hadden een negatief saldo van minder dan 3 %, met uitzondering van Italië (- 4,4 %) en Portugal (- 3,9 %). Van de nieuwe lidstaten hebben Bulgarije en Estland* een overschot, terwijl Hongarije, Polen en Slowakije een tekort van meer dan 3 % laten zien. Cyprus en Slovenië* springen eruit met een negatief saldo van slechts 1,2 %. Van de op de watch list genoemde landen is het Verenigd Koninkrijk met een tekort van 2,7 % het spoor bijster; het land is er niet in geslaagd om in jaren van economische voorspoed zijn begroting in evenwicht te brengen, waardoor zijn positie in de kopgroep nu gevaar loopt. Van de landen uit de controlegroep steken de prestaties van Spanje positief af, terwijl Italië en Portugal hun over het geheel genomen lage positie bevestigen.

8.3

In zijn jaarlijkse adviezen over de Europese economie heeft het EESC gepleit voor degelijke overheidsfinanciën. De respectieve prestaties van de landen op de watch list en in de controlegroep tonen aan dat solide overheidsfinanciën van groot belang zijn voor de werkgelegenheid en de productiviteit in de lidstaten.

8.4

Bij de analyse van de prestaties van de landen op de watch list en in de controlegroep dringt zich de vraag naar de effecten van belastingen op. Uit het verslag van Eurostat over de belastingheffing in de EU in 2005 blijkt dat het gemiddelde belastingtarief in de EU-27 39,6 % van het BBP bedraagt. Dat is zo'n dertien procentpunten meer dan in de VS en Japan. Van alle derde landen die zijn aangesloten bij de OESO kent alleen Nieuw-Zeeland een effectief belastingtarief van boven de 35 %. Na pogingen van de lidstaten om de belastingdruk te verlichten, is de tendens nu omgekeerd en ligt het gemiddelde belastingtarief weer op het niveau van 1995.

8.5

Naast België en Frankrijk behoren Zweden*, Denemarken* en Finland* tot de top 5 van landen met de hoogste belastingdruk. In de volgende groep van vijf landen staan Oostenrijk*, Slovenië* en Italië. Nederland* en het Verenigd Koninkrijk* staan respectievelijk op de 12e en 13e plaats. Alleen Estland* (22) en Ierland* (23) kennen een beduidend lager belastingniveau. Van de landen uit de controlegroep heeft Italië een belastingdruk die lager is dan of gelijk is aan die van vijf landen op de watch list. De belastingdruk in Spanje, Portugal en Griekenland ligt lager dan die van alle op de lijst vermelde landen, met uitzondering van Ierland en Estland. Men kan niet zomaar zeggen dat de landen uit de controlegroep te zwaar worden belast.

8.6

De belastingen in de EU liggen hoger dan in concurrerende regio's. De belastingstelsels van een aantal lidstaten worden sterk beïnvloed door het bedrag dat aan sociale bescherming wordt uitgegeven. Vanuit EU-perspectief is het moeilijk om te pleiten voor belastingverlagingen zolang de grootste economieën van de EU de hoogste belastingtarieven hanteren. Vanuit mondiaal perspectief hebben concurrerende regio's echter lagere belastingen, wat waarschijnlijk bijdraagt aan hun hoge innovatieniveau en hun gunstige ondernemingsklimaat.

Brussel, 18 september 2008

De voorzitter

van het Europees Economisch en Sociaal Comité

D. DIMITRIADIS


(1)  Centre for European Reform: The Lisbon Scorecard VIII, Is Europe ready for an economic storm (februari 2008).

(2)  Lidstaten met een asterisk staan op een watch list van de best presterende landen, zoals wordt toegelicht in par. 4.9.

(3)  EESC-advies over Werkgelegenheid, economische hervorming en sociale samenhangNaar een Europa van innovatie en kennis (Top van Lissabonmaart 2000), PB C 117 van 26 april 2000, blz. 62, par. 2.16.

(4)  EESC-advies over De globale richtsnoeren voor het economisch beleid en economische governancede voorwaarden voor meer samenhang in de economische beleidsvorming in Europa, PB C 324 van 30 december 2006, blz. 49.

(5)  EESC-advies over Globale richtsnoeren voor het economisch beleid (2005-2008), PB C 88 van 11 april 2006, blz. 76.

(6)  EESC-advies over Globale richtsnoeren voor het economisch beleid (2003-2005), PB C 80 van 30 maart 2004, blz. 120.

(7)  Zie het EESC-advies Naar een doeltreffender gebruik van fiscale stimulansen voor O&O, PB C 10 van 15-01-2008, blz. 83.

(8)  Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — Verslag over de vorderingen die worden gemaakt bij de totstandbrenging van de interne markt voor gas en elektriciteit — COM(2005) 568 final van 15 november 2005.

(9)  Geen gegevens beschikbaar over de gasmarkt in Duitsland.

(10)  „Verlegging van Europa's productiviteitsgrens — De EU-economie: evaluatie over 2007”, Europese Commissie, Directoraat-Generaal Economische en financiële zaken, blz. 136.

(11)  „Verlegging van Europa's productiviteitsgrens — De EU-economie: evaluatie over 2007”, Europese Commissie, Directoraat-Generaal Economische en financiële zaken, blz. 137.

(12)  Belemmeringen voor grensoverschrijdende investeringen door risicokapitaalfondsen opheffen (INT/404).


Top