Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62016TN0125

Zaak T-125/16: Beroep ingesteld op 23 maart 2016 — Léon Van Parys/Commissie

PB C 175 van 17.5.2016, pp. 28–29 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

17.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 175/28


Beroep ingesteld op 23 maart 2016 — Léon Van Parys/Commissie

(Zaak T-125/16)

(2016/C 175/32)

Procestaal: Nederlands

Partijen

Verzoekende partij: Firma Léon Van Parys NV (Antwerpen, België) (vertegenwoordigers: P. Vlaemminck, B. Van Vooren en R. Verbeke, advocaten)

Verwerende partij: Europese Commissie

Conclusies

De verzoekende partij verzoekt het Gerecht:

tot nietigverklaring van Besluit C(2016) 95 final van de Europese Commissie van 20 januari 2016 inzake dossier REC 07/07(REV) waarbij wordt vastgesteld dat boeking achteraf van de rechten bij invoer gerechtvaardigd is en dat kwijtschelding van die rechten gerechtvaardigd is ten aanzien van een schuldenaar en gedeeltelijk gerechtvaardigd is in het bijzondere geval van een andere schuldenaar maar voor een ander deel niet gerechtvaardigd is ten aanzien van deze specifieke schuldenaar, en tot wijziging van Besluit C(2010)2858 van de Commissie van 6 mei 2010;

te zeggen voor recht dat artikel 909 van Verordening nr. 2454/93 (1) ten volle zijn uitwerking heeft gehad ten voordele van huidig verzoekster na het arrest van het Gerecht T-324/10 waarin het Gerecht ten voordele van (huidig en toenmalig) verzoekster artikel 1, lid 3, van het oorspronkelijk Besluit C(2010)2858 heeft vernietigd, zodat huidig verzoekster conform artikel 909 van Verordening nr. 2454/93 geniet van de volledige kwijtschelding van de douaneschuld, alsook alle daaraan rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden interesten of kosten;

de Commissie in de kosten te verwijzen.

Middelen en voornaamste argumenten

Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vijf middelen aan.

1.

Eerste middel, ontleend aan een schending van artikel 907 en 909 van Verordening nr. 2454/93 en van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Verzoekster voert aan dat de rechtsgevolgen van het arrest van 19 maart 2013, Firma Van Parys/Commissie (T-324/10, EU:T:2013:136), in het voordeel van huidig verzoekster op zichzelf volstaan. Bijgevolg zou geen nieuwe beslissing van de Commissie vereist zijn om de onwettigheid vastgesteld door het Gerecht teniet te doen en dient verzoekster te genieten van de werking van artikel 909 van Verordening nr. 2454/93.

2.

Tweede middel, ontleend aan een schending van artikel 907 van Verordening nr. 2454/93 en van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Verzoekster voert aan dat de Commissie haar bevoegdheid om bijkomende informatie te verzoeken op grond van artikel 907 van Verordening nr. 2454/93 heeft misbruikt om de toepassing van artikel 909 van Verordening nr. 2454/93 te ontwijken. Verzoekster voert namelijk aan dat de Commissie de verzochte informatie reeds in haar bezit had.

3.

Derde middel, in ondergeschikte orde, ontleend aan een schending van de beginselen van behoorlijk bestuur doordat de uitvoering van het arrest van 19 maart 2013, Firma Van Parys/Commissie (T-324/10, EU:T:2013:136), binnen een redelijke termijn niet langer zou mogen duren dan de oorspronkelijke termijn van 9 maanden vastgesteld in artikel 907 van Verordening nr. 2454/93.

4.

Vierde middel, in meest ondergeschikte orde, ontleend aan een misbruik van bevoegdheid doordat de Commissie een volwaardig nieuw onderzoek voert en dat zij hierbij tot een conclusie komt die zou indruisen tegen de bevindingen van het Gerecht in het arrest van 19 maart 2013, Firma Van Parys/Commissie (T-324/10, EU:T:2013:136).

5.

Vijfde middel, in meest ondergeschikte orde, ontleend aan een foutieve interpretatie van het regelgevend kader tot organisatie van de bananenmarkt en een schending van het gelijkheidsbeginsel.

Het gebruik van een leasedeal door verzoekster ten einde het gebruik van invoercertificaten aan te kopen was volgens verzoekster een wettelijke mogelijkheid in het kader van Verordening nr. 2362/98 (2) en de gangbare handelspraktijken zoals erkend door de WTO.

Dit kan niet op zich beschouwd worden als een onzorgvuldigheid in hoofde van een invoerder wanneer dit niet het geval is voor de douane-expediteur of voor een andere invoerder die niet-overdraagbare licenties gebruikte.


(1)  Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB 1993, L 253, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 2362/98 van de Commissie van 28 oktober 1998 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EEG) nr. 404/93 van de Raad betreffende de regeling voor de invoer van bananen in de Gemeenschap (PB 1998, L 293, blz. 32).


Top