This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62020CA0140
Case C-140/20: Judgment of the Court (Grand Chamber) of 5 April 2022 (request for a preliminary ruling from the Supreme Court — Ireland) — G.D. v The Commissioner of An Garda Síochána, Minister for Communications, Energy and Natural Resources, Attorney General (Reference for a preliminary ruling — Processing of personal data in the electronic communications sector — Confidentiality of the communications — Providers of electronic communications services — General and indiscriminate retention of traffic and location data — Access to retained data — Subsequent court supervision — Directive 2002/58/EC — Article 15(1) — Charter of Fundamental Rights of the European Union — Articles 7, 8 and 11 and Article 52(1) — Possibility for a national court to restrict the temporal effects of a declaration of the invalidity of national legislation that is incompatible with EU law — Excluded)
Zaak C-140/20: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 5 april 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — G.D. / Commissioner of An Garda Síochána, Minister for Communications, Energy and Natural Resources, Attorney General (Prejudiciële verwijzing – Verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie – Vertrouwelijkheid van communicaties – Aanbieders van elektronische-communicatiediensten – Algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens – Toegang tot bewaarde gegevens – Rechterlijke toetsing a posteriori – Richtlijn 2002/58/EG – Artikel 15, lid 1 – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1 – Mogelijkheid voor een nationale rechter om de werking in de tijd te beperken van een ongeldigverklaring van met het Unierecht onverenigbare nationale wetgeving – Geen)
Zaak C-140/20: Arrest van het Hof (Grote kamer) van 5 april 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — G.D. / Commissioner of An Garda Síochána, Minister for Communications, Energy and Natural Resources, Attorney General (Prejudiciële verwijzing – Verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie – Vertrouwelijkheid van communicaties – Aanbieders van elektronische-communicatiediensten – Algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens – Toegang tot bewaarde gegevens – Rechterlijke toetsing a posteriori – Richtlijn 2002/58/EG – Artikel 15, lid 1 – Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – Artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1 – Mogelijkheid voor een nationale rechter om de werking in de tijd te beperken van een ongeldigverklaring van met het Unierecht onverenigbare nationale wetgeving – Geen)
PB C 213 van 30.5.2022, pp. 3–4
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
30.5.2022 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/3 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 5 april 2022 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supreme Court — Ierland) — G.D. / Commissioner of An Garda Síochána, Minister for Communications, Energy and Natural Resources, Attorney General
(Zaak C-140/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Verwerking van persoonsgegevens in de sector elektronische communicatie - Vertrouwelijkheid van communicaties - Aanbieders van elektronische-communicatiediensten - Algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens - Toegang tot bewaarde gegevens - Rechterlijke toetsing a posteriori - Richtlijn 2002/58/EG - Artikel 15, lid 1 - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1 - Mogelijkheid voor een nationale rechter om de werking in de tijd te beperken van een ongeldigverklaring van met het Unierecht onverenigbare nationale wetgeving - Geen)
(2022/C 213/03)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Supreme Court
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: G.D.
Verwerende partijen: Commissioner of An Garda Síochána, Minister for Communications, Energy and Natural Resources, Attorney General
Dictum
1) |
Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen wettelijke maatregelen die met het oog op de bestrijding van zware criminaliteit en de voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid preventief voorzien in een algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens. Artikel 15, lid 1, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8 en 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, verzet zich daarentegen niet tegen wettelijke maatregelen die met het oog op de bestrijding van zware criminaliteit en de voorkoming van ernstige bedreigingen van de openbare veiligheid voorzien in:
mits die maatregelen, door het gebruik van duidelijke en nauwkeurige regels, verzekeren dat de betrokken gegevens slechts worden bewaard indien aan de daarvoor geldende materiële en procedurele voorwaarden wordt voldaan, en dat de betrokken personen beschikken over effectieve waarborgen tegen het risico van misbruik. |
2) |
Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, gelezen in het licht van de artikelen 7, 8, 11 en artikel 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten, moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen nationale wetgeving op grond waarvan de gecentraliseerde behandeling van verzoeken om toegang tot door aanbieders van elektronische-communicatiediensten bewaarde gegevens die de politie doet tijdens het onderzoek naar en de vervolging van ernstige strafbare feiten, is opgedragen aan een politiefunctionaris, bijgestaan door een binnen de politie opgerichte eenheid die een zekere mate van autonomie heeft bij de uitvoering van haar taak en waarvan de beslissingen later door een rechter kunnen worden getoetst. |
3) |
Het Unierecht moet aldus worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een nationale rechter de werking in de tijd beperkt van de ongeldigverklaring van nationale wetgeving die aanbieders van elektronische-communicatiediensten een algemene en ongedifferentieerde bewaring van verkeers- en locatiegegevens oplegt, die hij op grond van het nationale recht dient uit te spreken wegens de onverenigbaarheid van die wetgeving met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/136, gelezen in het licht van het Handvest van de grondrechten. De toelaatbaarheid van de via die bewaring verkregen bewijzen is een kwestie die overeenkomstig het beginsel van de procedurele autonomie van de lidstaten onder het nationale recht valt, op voorwaarde dat met name de beginselen van gelijkwaardigheid en doeltreffendheid worden geëerbiedigd. |