Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 62020CB0321

Zaak C-321/20: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 4 februari 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona — Spanje) — CDT, SA / MIMR, HRMM (Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Consumentenbescherming – Werking in de tijd van een arrest – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Bevoegdheden van de nationale rechter met betrekking tot een als “oneerlijk” gekwalificeerd beding – Beding inzake vervroegde opeisbaarheid – Gedeeltelijke schrapping van de inhoud van een oneerlijk beding – Rechtszekerheidsbeginsel – Verplichting tot conforme uitlegging)

PB C 182 van 10.5.2021, pp. 23–23 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

10.5.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 182/23


Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 4 februari 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona — Spanje) — CDT, SA / MIMR, HRMM

(Zaak C-321/20) (1)

(Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Consumentenbescherming - Werking in de tijd van een arrest - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Bevoegdheden van de nationale rechter met betrekking tot een als “oneerlijk” gekwalificeerd beding - Beding inzake vervroegde opeisbaarheid - Gedeeltelijke schrapping van de inhoud van een oneerlijk beding - Rechtszekerheidsbeginsel - Verplichting tot conforme uitlegging)

(2021/C 182/32)

Procestaal: Spaans

Verwijzende rechter

Audiencia Provincial de Barcelona

Partijen in het hoofdgeding

Verzoekende partij: CDT, SA

Verwerende partijen: MIMR, HRMM

Dictum

1)

Het Unierecht, met name het rechtszekerheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat de nationale rechter afziet van de toepassing van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan hij een oneerlijk beding in een tussen een verkoper en een consument gesloten overeenkomst kan herzien, wanneer deze bepaling — die bij arrest van 14 juni 2012 in de zaak Banco Español de Crédito (C-618/10, EU:C:2012:349) strijdig werd geacht met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — op het tijdstip waarop die overeenkomst werd gesloten nog niet het voorwerp had uitgemaakt van een wetswijziging in de zin van dat arrest.

2)

Het rechtszekerheidsbeginsel moet aldus worden uitgelegd dat het de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een contractueel beding oneerlijk is in de zin van artikel 3 van richtlijn 93/13, niet toestaat om de inhoud ervan te herzien, zodat die rechter dat beding buiten toepassing moet laten. De artikelen 6 en7 van deze richtlijn staan evenwel niet eraan in de weg dat de nationale rechter een dergelijk beding vervangt door een bepaling van nationaal recht met een aanvullend karakter, voor zover de betrokken leningsovereenkomst niet kan voortbestaan wanneer dat oneerlijke beding wordt geschrapt en de nietigverklaring van de overeenkomst in haar geheel de consument zou blootstellen aan bijzonder nadelige gevolgen, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit na te gaan.


(1)  PB C 359 van 26.10.2020.


Top