This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 62020CB0321
Case C-321/20: Order of the Court (Seventh Chamber) of 4 February 2021 (request for a preliminary ruling from the Audiencia Provincial de Barcelona — Spain) — CDT, SA v MIMR, HRMM (Reference for a preliminary ruling — Article 99 of the Rules of Procedure of the Court — Consumer protection — Temporal effects of a judgment — Directive 93/13/EEC — Unfair terms in consumer contracts — Powers of the national court when dealing with a term regarded as ‘unfair’ — Accelerated repayment term — Partial removal of the content of an unfair term — Principle of legal certainty — Obligation to interpret in conformity with EU law)
Zaak C-321/20: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 4 februari 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona — Spanje) — CDT, SA / MIMR, HRMM (Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Consumentenbescherming – Werking in de tijd van een arrest – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Bevoegdheden van de nationale rechter met betrekking tot een als “oneerlijk” gekwalificeerd beding – Beding inzake vervroegde opeisbaarheid – Gedeeltelijke schrapping van de inhoud van een oneerlijk beding – Rechtszekerheidsbeginsel – Verplichting tot conforme uitlegging)
Zaak C-321/20: Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 4 februari 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona — Spanje) — CDT, SA / MIMR, HRMM (Prejudiciële verwijzing – Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof – Consumentenbescherming – Werking in de tijd van een arrest – Richtlijn 93/13/EEG – Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten – Bevoegdheden van de nationale rechter met betrekking tot een als “oneerlijk” gekwalificeerd beding – Beding inzake vervroegde opeisbaarheid – Gedeeltelijke schrapping van de inhoud van een oneerlijk beding – Rechtszekerheidsbeginsel – Verplichting tot conforme uitlegging)
PB C 182 van 10.5.2021, pp. 23–23
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
10.5.2021 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 182/23 |
Beschikking van het Hof (Zevende kamer) van 4 februari 2021 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Audiencia Provincial de Barcelona — Spanje) — CDT, SA / MIMR, HRMM
(Zaak C-321/20) (1)
(Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Consumentenbescherming - Werking in de tijd van een arrest - Richtlijn 93/13/EEG - Oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten - Bevoegdheden van de nationale rechter met betrekking tot een als “oneerlijk” gekwalificeerd beding - Beding inzake vervroegde opeisbaarheid - Gedeeltelijke schrapping van de inhoud van een oneerlijk beding - Rechtszekerheidsbeginsel - Verplichting tot conforme uitlegging)
(2021/C 182/32)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Audiencia Provincial de Barcelona
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: CDT, SA
Verwerende partijen: MIMR, HRMM
Dictum
1) |
Het Unierecht, met name het rechtszekerheidsbeginsel, moet aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat de nationale rechter afziet van de toepassing van een bepaling van nationaal recht op grond waarvan hij een oneerlijk beding in een tussen een verkoper en een consument gesloten overeenkomst kan herzien, wanneer deze bepaling — die bij arrest van 14 juni 2012 in de zaak Banco Español de Crédito (C-618/10, EU:C:2012:349) strijdig werd geacht met artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten — op het tijdstip waarop die overeenkomst werd gesloten nog niet het voorwerp had uitgemaakt van een wetswijziging in de zin van dat arrest. |
2) |
Het rechtszekerheidsbeginsel moet aldus worden uitgelegd dat het de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een contractueel beding oneerlijk is in de zin van artikel 3 van richtlijn 93/13, niet toestaat om de inhoud ervan te herzien, zodat die rechter dat beding buiten toepassing moet laten. De artikelen 6 en7 van deze richtlijn staan evenwel niet eraan in de weg dat de nationale rechter een dergelijk beding vervangt door een bepaling van nationaal recht met een aanvullend karakter, voor zover de betrokken leningsovereenkomst niet kan voortbestaan wanneer dat oneerlijke beding wordt geschrapt en de nietigverklaring van de overeenkomst in haar geheel de consument zou blootstellen aan bijzonder nadelige gevolgen, waarbij het aan de verwijzende rechter staat om dit na te gaan. |