20.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 392/12


Hogere voorziening ingesteld op 25 juli 2017 door Ori Martin SA tegen de beschikking van het Gerecht (Tweede kamer) van 1 juni 2017 in zaak T-797/16, Ori Martin/Hof van Justitie van de Europese Unie

(Zaak C-463/17 P)

(2017/C 392/16)

Procestaal: Italiaans

Partijen

Rekwirante: Ori Martin SA (vertegenwoordigers: G. Belotti, avvocato)

Andere partijen in de procedure: Hof van Justitie van de Europese Unie

Conclusies

Rekwirante verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: „Hof”), bij de herziening van de afwijzende beschikking van het Gerecht in zaak T-797/16 (Ori Martin spa tegen Hof van Justitie van de EU), uitspraak te doen over de schending door dit Hof (Zesde kamer) in de zaken C-490/15 P en C-505/15 P (EU:C:2016:678) van het recht van ORI op een eerlijk proces als vervat in artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: „Handvest”), en het Hof bijgevolg te veroordelen tot schadevergoeding.

Middelen en voornaamste argumenten

Het beroep, dat door het Gerecht is verworpen bij de bestreden beschikking, had één middel: schending door het Hof (Zesde kamer) van artikel 47 van het Handvest, meer in het bijzonder schending van het recht van ORI op een eerlijk proces. ORI meent immers dat dit algemene rechtsbeginsel gebiedt dat de onderneming waaraan definitief een sanctie is opgelegd, begrijpt welk concrete feit haar wordt verweten, mede teneinde recidive te voorkomen. Dat was in casu niet het geval, daar ORI nog steeds niet weet wat de daadwerkelijke reden voor haar veroordeling is.

Het Gerecht heeft het beroep van ORI kennelijk rechtens ongegrond verklaard op basis van het uitgangspunt dat het verzoek tot schadevergoeding niet was gebaseerd op de buitensporige duur van de procedure (hetgeen eventueel schending van artikel 47 van het Handvest had kunnen vormen), maar op een vermeende onrechtmatigheid waarvan de uitspraak blijk geeft. Het Gerecht heeft zich niet uitgesproken over de door rekwirante uitdrukkelijk opgeworpen vraag of de schending van het recht op een eerlijk proces al dan niet onder artikel 47 van het Handvest viel. Ook in dat opzicht is de onderhavige hogere voorziening zinvol: vanwege de vragen die eraan ten grondslag liggen, overstijgt zij het individuele geval.

ORI betwist de beschikking van het Gerecht voor zover het recht op een eerlijk proces, als iemands recht om de gronden van zijn veroordeling te kennen, een onvervreemdbaar recht vormt van personen aan wie sancties op het gebied van het mededingingsrecht wordt opgelegd, waarvan de in wezen strafrechtelijke aard thans in vaste rechtspraak is erkend. Het beginsel van daadwerkelijke rechterlijke bescherming van de aan particulieren verleende rechten vormt een algemeen beginsel van het Unierecht dat voortvloeit uit de constitutionele tradities die de lidstaten gemeen hebben; het is vervat in de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en is overgenomen in artikel 47 van het Handvest.

Voorts beklemtoont ORI het belang van de uiteengezette kwestie wegens de persoonlijke aard van de aansprakelijkheid inzake mededinging als bepaald in artikel 23 van verordening nr. 1/2003 (1) en wegens het feit dat het mededingingsrecht van de Unie noch risicoaansprakelijkheid noch schuld door gebrek in het uitoefenen van toezicht (culpa in vigilando) kent.

Binnen de Unie kan dus niemand worden bestraft zonder schuld en evenmin wegens een gebrek in het uitoefenen van toezicht; geen enkel beginsel van het procesrecht inzake de omkering van de bewijslast kan afdoen aan deze slotsom.


(1)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).