ISSN 1977-0995 |
||
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213 |
|
![]() |
||
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
58e jaargang |
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
IV Informatie |
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
2015/C 213/01 |
||
|
Gerecht |
|
2015/C 213/02 |
Wijze waarop de rechter ter vervanging van een verhinderde rechter wordt aangewezen |
|
2015/C 213/03 |
||
2015/C 213/04 |
|
V Bekendmakingen |
|
|
GERECHTELIJKE PROCEDURES |
|
|
Hof van Justitie |
|
2015/C 213/05 |
||
2015/C 213/06 |
||
2015/C 213/07 |
||
2015/C 213/08 |
||
2015/C 213/09 |
||
2015/C 213/10 |
||
2015/C 213/11 |
||
2015/C 213/12 |
||
2015/C 213/13 |
||
2015/C 213/14 |
||
2015/C 213/15 |
||
2015/C 213/16 |
||
2015/C 213/17 |
||
2015/C 213/18 |
||
2015/C 213/19 |
||
2015/C 213/20 |
||
2015/C 213/21 |
||
2015/C 213/22 |
||
2015/C 213/23 |
||
2015/C 213/24 |
||
2015/C 213/25 |
||
2015/C 213/26 |
||
2015/C 213/27 |
||
2015/C 213/28 |
||
2015/C 213/29 |
||
2015/C 213/30 |
||
2015/C 213/31 |
||
2015/C 213/32 |
||
2015/C 213/33 |
||
2015/C 213/34 |
||
2015/C 213/35 |
||
2015/C 213/36 |
||
2015/C 213/37 |
||
2015/C 213/38 |
||
2015/C 213/39 |
||
2015/C 213/40 |
||
2015/C 213/41 |
||
2015/C 213/42 |
||
|
Gerecht |
|
2015/C 213/43 |
||
2015/C 213/44 |
||
2015/C 213/45 |
||
2015/C 213/46 |
||
2015/C 213/47 |
||
2015/C 213/48 |
||
2015/C 213/49 |
||
2015/C 213/50 |
||
2015/C 213/51 |
||
2015/C 213/52 |
||
2015/C 213/53 |
||
2015/C 213/54 |
||
2015/C 213/55 |
||
2015/C 213/56 |
||
2015/C 213/57 |
||
2015/C 213/58 |
||
2015/C 213/59 |
||
2015/C 213/60 |
||
2015/C 213/61 |
||
2015/C 213/62 |
Zaak T-141/15: Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — Tsjechië/Commissie |
|
2015/C 213/63 |
Zaak T-147/15: Beroep ingesteld op 30 maart 2015 — Tsjechië/Commissie |
|
2015/C 213/64 |
||
2015/C 213/65 |
Zaak T-231/15: Beroep ingesteld op 5 mei 2015 — Haswani/Raad |
|
2015/C 213/66 |
Zaak T-233/15: Beroep ingesteld op 11 mei 2015 — Cofra/BHIM — Armand Thiery (1841) |
|
2015/C 213/67 |
Zaak T-25/14: Beschikking van het Gerecht van 4 mei 2015 — Spanje/Commissie |
|
|
Gerecht voor ambtenarenzaken |
|
2015/C 213/68 |
||
2015/C 213/69 |
||
2015/C 213/70 |
||
2015/C 213/71 |
||
2015/C 213/72 |
||
2015/C 213/73 |
Zaak F-55/15: Beroep ingesteld op 16 april 2015 — ZZ/Commissie |
|
2015/C 213/74 |
Zaak F-56/15: Beroep ingesteld op 17 april 2015 — ZZ en ZZ/Commissie |
|
2015/C 213/75 |
Zaak F-57/15: Beroep ingesteld op 20 april 2015 — ZZ/Commissie |
|
2015/C 213/76 |
Zaak F-58/15: Beroep ingesteld op 20 april 2015 — ZZ/Commissie |
|
2015/C 213/77 |
Zaak F-59/15: Beroep ingesteld op 21 april 2015 — ZZ/Commissie |
|
2015/C 213/78 |
||
2015/C 213/79 |
Zaak F-62/15: Beroep ingesteld op 23 april 2015 — ZZ en ZZ/Parlement |
|
2015/C 213/80 |
Zaak F-66/15: Beroep ingesteld op 24 april 2015 — ZZ en ZZ/EESC |
|
2015/C 213/81 |
Zaak F-67/15: Beroep ingesteld op 24 april 2015 — ZZ/Commissie |
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2015/C 213/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in:
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
Gerecht
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/2 |
Wijze waarop de rechter ter vervanging van een verhinderde rechter wordt aangewezen
(2015/C 213/02)
Op 13 mei 2015 heeft het Gerecht, overwegende dat het Reglement voor de procesvoering van 4 maart 2015 in werking zal treden op 1 juli 2015, besloten dat vanaf die datum in de gevallen van verhindering bedoeld in artikel 17, lid 2, en artikel 24, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, de rechter ter vervanging van de verhinderde rechter door de president van het Gerecht wordt aangewezen volgens de bij artikel 8 van het Reglement voor de procesvoering bepaalde rangorde, de vicepresident en de kamerpresidenten uitgezonderd. Om voor een evenwichtige verdeling van de werklast te zorgen kan de president evenwel van die rangorde afwijken.
In spoedeisende en uitzonderlijke gevallen kan de president zichzelf ter vervanging van de verhinderde rechter aanwijzen.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/2 |
Samenstelling van de Grote kamer
(2015/C 213/03)
Op 13 mei 2015 heeft het Gerecht, overwegende dat het Reglement voor de procesvoering van 4 maart 2015 in werking zal treden op 1 juli 2015, besloten dat voor de periode van 1 juli 2015 tot en met 31 augustus 2016 en overeenkomstig artikel 15, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, de vijftien rechters waaruit de Grote kamer is samengesteld, de president van het Gerecht, de vicepresident, de acht kamerpresidenten, de twee rechters in de formatie van drie rechters waarbij de zaak aanvankelijk aanhangig was, de twee rechters die deze formatie hadden moeten aanvullen indien zij aan een kamer van vijf rechters zou zijn toegewezen, en een andere rechter zullen zijn. Laatstgenoemde wordt aangewezen volgens de bij artikel 8 van het Reglement voor de procesvoering bepaalde rangorde.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/2 |
Intrekking van het besluit van 23 september 2013 tot aanwijzing van de rechter die de president van het Gerecht als kortgedingrechter vervangt
(2015/C 213/04)
Op 13 mei 2015 heeft het Gerecht, overwegende dat het Reglement voor de procesvoering van 4 maart 2015 in werking zal treden op 1 juli 2015, besloten om, gezien artikel 157, lid 4, van dit Reglement, het besluit van 23 september 2013 waarbij rechter Forwood voor de periode van 23 september 2013 tot 31 augustus 2016 is aangewezen om de president van het Gerecht in geval van afwezigheid of verhindering als kortgedingrechter te vervangen (PB 2013, C 313, blz. 5), met ingang van 1 juli 2015 in te trekken.
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/3 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 28 april 2015 — Europese Commissie/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-28/12) (1)
((Beroep tot nietigverklaring - Gemengde internationale overeenkomsten - Besluit waarbij machtiging wordt verleend tot ondertekening en voorlopige toepassing van die overeenkomsten - Besluit van de Raad en van de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen - Autonomie van de rechtsorde van de Unie - Deelneming van de lidstaten aan de procedure en het besluit bedoeld in artikel 218 VWEU - Wijze van stemming binnen de Raad))
(2015/C 213/05)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Valero Jordana, K. Simonsson en S. Bartelt, gemachtigden)
Interveniënt aan de zijde van verzoekende partij: Europees Parlement (vertegenwoordigers: R. Passos en A. Auersperger Matić, gemachtigden)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M.-M. Joséphidès, E. Karlsson, F. Naert en R. Szostak, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek en E. Ruffer, gemachtigden), Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: U. Melgaard en L. Volck Madsen, gemachtigden), Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze, N. Graf Vitzthum en B. Beutler, gemachtigden), Helleense Republiek (vertegenwoordigers: A. Samoni-Rantou en S. Chala, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, F. Fize, D. Colas en N. Rouam, gemachtigden), Italiaanse Republiek (vertegenwoordigers: G. Palmieri, gemachtigde, bijgestaan door P. Gentili, avvocato dello Stato), Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: C. Wissels en J. Langer, gemachtigden), Republiek Polen (vertegenwoordigers: B. Majczyna en M. Szpunar, gemachtigden), Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes en M. L. Duarte, gemachtigden), Republiek Finland (vertegenwoordiger: J. Heliskoski, gemachtigde), Koninkrijk Zweden (vertegenwoordiger: A. Falk, gemachtigde), Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: C. Murrell en L. Christie, gemachtigden, bijgestaan door R. Palmer, barrister)
Dictum
1) |
Besluit 2011/708/EU van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen van 16 juni 2011 inzake de ondertekening, namens de Unie, en voorlopige toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen; en inzake de ondertekening, namens de Unie, en voorlopige toepassing van de Aanvullende Overeenkomst tussen ten eerste, de Europese Unie en haar lidstaten, ten tweede, IJsland en ten derde, het Koninkrijk Noorwegen betreffende de toepassing van de Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen ten eerste, de Verenigde Staten van Amerika, ten tweede, de Europese Unie en haar lidstaten, ten derde, IJsland en ten vierde, het Koninkrijk Noorwegen, wordt nietig verklaard. |
2) |
De gevolgen van besluit 2011/708 worden gehandhaafd tot de inwerkingtreding, binnen een redelijke termijn na de uitspraak van dit arrest, van een door de Raad van de Europese Unie krachtens artikel 218, leden 5 en 8, VWEU vast te stellen nieuw besluit. |
3) |
De Raad van de Europese Unie wordt verwezen in de kosten. |
4) |
De Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Helleense Republiek, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en het Europees Parlement zullen hun eigen kosten dragen. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/4 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 29 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Rechtbank Rotterdam — Nederland) — Nationale-Nederlanden Levensverzekering Mij NV/Hubertus Wilhelmus van Leeuwen
(Zaak C-51/13) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Directe levensverzekering - Richtlijn 92/96/EEG - Artikel 31, lid 3 - Aan de verzekeringnemer te verstrekken informatie - Verplichting van de verzekeraar op grond van algemene beginselen van nationaal recht, aanvullende informatie over de kosten en de premies te verstrekken))
(2015/C 213/06)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Rotterdam
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nationale-Nederlanden Levensverzekering Mij NV
Verwerende partij: Hubertus Wilhelmus van Leeuwen
Dictum
1) |
Artikel 31, lid 3, van richtlijn 92/96/EEG van de Raad van 10 november 1992 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende het directe levensverzekeringsbedrijf en tot wijziging van de richtlijnen 79/267/EEG en 90/619/EEG (derde levensrichtlijn), moet aldus worden uitgelegd dat het niet eraan in de weg staat dat een verzekeraar op grond van algemene beginselen van intern recht, zoals de in het hoofdgeding aan de orde zijnde „open en/of ongeschreven regels”, gehouden is de verzekeringnemer bepaalde informatie te verstrekken in aanvulling op die vermeld in bijlage II bij die richtlijn, mits — het is aan de verwijzende rechterlijke instantie om dit te verifiëren — de verlangde informatie duidelijk en nauwkeurig is en noodzakelijk voor een goed begrip door de verzekeringnemer van de wezenlijke bestanddelen van de verbintenis en zij voldoende rechtszekerheid waarborgt. |
2) |
Hetgeen naar nationaal recht het gevolg is van het niet verstrekken van die informatie is in beginsel irrelevant voor de vraag of de informatieplicht in overeenstemming is met artikel 31, lid 3, van richtlijn 92/96. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/5 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 5 mei 2015 — Koninkrijk Spanje/Europees Parlement en Raad van de Europese Unie
(Zaak C-146/13) (1)
([Beroep tot nietigverklaring - Uitvoering van nauwere samenwerking - Instelling van eenheidsoctrooibescherming - Verordening (EU) nr. 1257/2012 - Artikel 118, eerste alinea, VWEU - Rechtsgrondslag - Artikel 291 VWEU - Delegatie van bevoegdheden aan organen buiten de Europese Unie - Beginselen van autonomie en uniforme toepassing van het Unierecht])
(2015/C 213/07)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: E. Chamizo Llatas en S. Centeno Huerta, gemachtigden)
Verwerende partijen: Europees Parlement (vertegenwoordigers: M. Gómez-Leal, M. Dean en U. Rösslein, gemachtigden) en Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: T. Middleton, F. Florindo Gijón, M. Balta en L. Grønfeldt, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van de verwerende partijen: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: C. Pochet, J.-C. Halleux en T. Materne, gemachtigden), Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek en J. Vláčil, gemachtigden), Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: C. Thorning en M. Wolff, gemachtigden), Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze, M. Möller en J. Kemper, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, F.-X. Bréchot, D. Colas en N. Rouam, gemachtigden), Groothertogdom Luxemburg, Hongarije (vertegenwoordigers: M. Fehér en K. Szíjjártó, gemachtigden), Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: M. Bulterman en J. Langer, gemachtigden), Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk, C. Meyer-Seitz en U. Persson, gemachtigden), Verenigd Koninkrijk van Groot Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: M. Holt, gemachtigde, bijgestaan door J. Stratford, QC, en T. Mitcheson, barrister) en Europese Commissie (vertegenwoordigers: I. Martínez del Peral, T. van Rijn, B. Smulders en F. Bulst, gemachtigden)
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Het Koninkrijk Spanje draagt behalve de eigen kosten ook de kosten van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie. |
3) |
Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/5 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 5 mei 2015 — Koninkrijk Spanje/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-147/13) (1)
((Beroep tot nietigverklaring - Uitvoering van nauwere samenwerking - Eenheidsoctrooi - Verordening (EU) nr. 1260/2012 - Vertaalregelingen - Discriminatieverbod - Artikel 291 VWEU - Delegatie van bevoegdheden aan organen buiten de Europese Unie - Artikel 118, tweede alinea, VWEU - Rechtsgrondslag - Beginsel van autonomie van het Unierecht))
(2015/C 213/08)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordigers: E. Chamizo Llatas en S. Centeno Huerta, gemachtigden)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: T. Middleton, F. Florindo Gijón, M. Balta en L. Grønfeldt, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van de verwerende partij: Koninkrijk België (vertegenwoordigers: C. Pochet, J.-C. Halleux en T. Materne, gemachtigden), Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek en J. Vláčil, gemachtigden), Koninkrijk Denemarken (vertegenwoordigers: C. Thorning en M. Wolff; gemachtigden), Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze, M. Möller en J. Kemper, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, F. X. Bréchot, D. Colas en N. Rouam, gemachtigden), Groothertogdom Luxemburg, Hongarije (vertegenwoordigers: M. Fehér en K. Szíjjártó, gemachtigden), Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: M. Bulterman en J. Langer, gemachtigden), Koninkrijk Zweden (vertegenwoordigers: A. Falk en C. Meyer Seitz, gemachtigden), Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland (vertegenwoordigers: M. Holt, gemachtigde, bijgestaan door J. Stratford, QC, en T. Mitcheson, barrister), Europees Parlement (vertegenwoordigers: M. Gómez-Leal, U. Rösslein en M. Dean, gemachtigden), Europese Commissie (vertegenwoordigers: I. Martínez del Peral, T. van Rijn, B. Smulders en F. Bulst, gemachtigden)
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Het Koninkrijk Spanje draagt behalve de eigen kosten ook die van de Raad van de Europese Unie. |
3) |
Het Koninkrijk België, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Franse Republiek, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Zweden, het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, het Europees Parlement en de Europese Commissie dragen hun eigen kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/6 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 28 april 2015 — T & L Sugars Ltd, Sidul Açúcares Unipessoal Lda/Europese Commissie, Franse Republiek, Raad van de Europese Unie
(Zaak C-456/13 P) (1)
((Hogere voorziening - Beroep tot nietigverklaring - Artikel 263, vierde alinea, VWEU - Recht van beroep - Procesbevoegdheid - Natuurlijke of rechtspersonen - Regelgevingshandeling die geen uitvoeringsmaatregelen met zich brengt - Handeling die rekwiranten individueel raakt - Recht op een effectieve rechterlijke bescherming - Buitengewone maatregelen inzake het op de markt van de Unie brengen van boven de quota geproduceerde suiker en isoglucose - Verkoopseizoen 2010/2011))
(2015/C 213/09)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwiranten: T & L Sugars Ltd, Sidul Açúcares Unipessoal Lda (vertegenwoordigers: D. Waelbroeck, avocat, en D. Slater, solicitor)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Ondrůšek en P. Rossi, gemachtigden), Franse Republiek (vertegenwoordigers: G. de Bergues, D. Colas en C. Candat, gemachtigden), Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: É. Sitbon en A. Westerhof Löfflerová, gemachtigden)
Dictum
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
2) |
T & L Sugars Ltd en Sidul Açúcares Unipessoal Lda worden verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/7 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 29 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal administratif de Strasbourg — Frankrijk) — Geoffrey Léger/Ministre des Affaires sociales et de la Santé et des Droits des femmes, Établissement français du sang
(Zaak C-528/13) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Volksgezondheid - Richtlijn 2004/33/EG - Technische voorschriften voor bloed en bloedbestanddelen - Bloeddonatie - Criteria voor donoren - Criteria voor permanente of tijdelijke uitsluiting - Personen die als gevolg van hun seksueel gedrag een groot risico hebben om ernstige bloedoverdraagbare infectieziekten op te lopen - Man die seksuele betrekkingen heeft gehad met een man - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikelen 21, lid 1, en 52, lid 1 - Seksuele oriëntatie - Discriminatie - Rechtvaardiging - Evenredigheid))
(2015/C 213/10)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal administratif de Strasbourg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Geoffrey Léger
Verwerende partij: Ministre des Affaires sociales et de la Santé et des Droits des femmes, Etablissement français du sang
Dictum
Punt 2.1 van bijlage III bij richtlijn 2004/33/EG van de Commissie van 22 maart 2004 tot uitvoering van richtlijn 2002/98/EG van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot bepaalde technische voorschriften voor bloed en bloedbestanddelen moet aldus worden uitgelegd dat het in die bepaling bedoelde criterium van permanente uitsluiting van bloeddonatie met betrekking tot seksueel gedrag ook betrekking heeft op het geval waarin een lidstaat, gezien de aldaar heersende situatie, een permanente contra-indicatie voor bloeddonatie vaststelt voor mannen die seksuele betrekkingen hebben gehad met mannen, wanneer op basis van de huidige medische, wetenschappelijke en epidemiologische kennis en gegevens vaststaat, dat deze personen als gevolg van een dergelijk seksueel gedrag een groot risico hebben om ernstige bloedoverdraagbare infectieziekten op te lopen en dat er, in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel, geen efficiënte technieken bestaan voor de detectie van die infectieziekten of, bij gebrek aan dergelijke technieken, methoden die minder belastend zijn dan een dergelijke contra-indicatie om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van de ontvangers te waarborgen. De nationale rechter dient na te gaan of in de betrokken lidstaat is voldaan aan deze voorwaarden.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/8 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 6 mei 2015 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-674/13) (1)
([Niet-nakoming - Staatssteun onverenigbaar met de interne markt - Markt van pakketdiensten - Besluit van de Commissie - Verplichting tot volledige terugvordering van de steun en wijziging van de regeling voor de toekomst - Te nemen maatregelen - Artikel 108, lid 2, VWEU - Verordening (EG) nr. 659/1999 - Artikel 14, lid 3])
(2015/C 213/11)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: T. Maxian Rusche en R. Sauer, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze en J. Möller, gemachtigden)
Dictum
1) |
Door te weigeren de betrokken markt in het kader van de uitvoering van besluit 2012/636/EU van de Commissie van 25 januari 2012 betreffende steunmaatregel C 36/07 (ex N 25/07) van Duitsland ten faveure van Deutsche Post AG, autonoom af te bakenen om te bepalen of de vervoerdienst voor pakketten van een onderneming naar een andere in de periode van 2003 tot en met 2012 enerzijds en vanaf de periode vanaf 2012 anderzijds een afzonderlijke markt van betrokken producten vormde, is de Bondsrepubliek Duitsland de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 108, lid 2, VWEU en 14, lid 3, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel [108 VWEU] alsook de artikelen 1 en 4 tot en met 6 van dat besluit. |
2) |
De Bondsrepubliek Duitsland wordt verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/8 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 30 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division) — Verenigd Koninkrijk) — Union of Shop, Distributive and Allied Workers (USDAW), B. Wilson/WW Realisation 1 Ltd, in liquidatie, Ethel Austin Ltd, Secretary of State for Business, Innovation and Skills
(Zaak C-80/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Collectief ontslag - Richtlijn 98/59/EG - Artikel 1, lid 1, eerste alinea, onder a) - Begrip „plaatselijke eenheid” - Methode voor de berekening van het aantal ontslagen werknemers))
(2015/C 213/12)
Procestaal: Engels
Verwijzende rechter
Court of Appeal (England & Wales) (Civil Division)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Union of Shop, Distributive and Allied Workers (USDAW), B. Wilson
Verwerende partijen: WW Realisation 1 Ltd, in liquidatie, Ethel Austin Ltd, Secretary of State for Business, Innovation and Skills
Dictum
Het begrip „plaatselijke eenheid” in artikel 1, lid 1, eerste alinea, onder a), ii), van richtlijn 98/59/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten inzake collectief ontslag moet op dezelfde wijze worden uitgelegd als het begrip „plaatselijke eenheid” in artikel 1, lid 1, eerste alinea, onder a), i).
Artikel 1, lid 1, eerste alinea, onder a), ii), van richtlijn 98/59 moet aldus worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan een nationale wettelijke regeling die voorschrijft dat de werknemers moeten worden ingelicht en geraadpleegd wanneer binnen een periode van 90 dagen ten minste 20 werknemers in een specifieke plaatselijke eenheid van een onderneming worden ontslagen, maar die deze verplichting niet oplegt wanneer het totale aantal ontslagen in alle plaatselijke eenheden of bepaalde plaatselijke eenheden van een onderneming samen binnen dezelfde periode de drempel van 20 werknemers bereikt of overschrijdt.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/9 |
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 30 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Gyulai Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — SMK kft/Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Adó Főigazgatósága, Nemzeti Adó- és Vámhivatal
(Zaak C-97/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde - Richtlijn 2006/112/EG - Artikelen 52, onder c), en 55 - Bepaling van de plaats van een dienst - Afnemer van de dienst die voor doeleinden van de belasting over de toegevoegde waarde in verschillende lidstaten is geïdentificeerd - Verzending of vervoer buiten de lidstaat waar de dienst daadwerkelijk is verricht))
(2015/C 213/13)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Gyulai Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: SMK kft
Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Adó Főigazgatósága, Nemzeti Adó- és Vámhivatal
Dictum
Artikel 55 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, in de tot 1 januari 2010 geldende versie, moet aldus worden uitgelegd dat het niet van toepassing is in omstandigheden als in het hoofdgeding, waarin de afnemer van de diensten voor doeleinden van de belasting over de toegevoegde waarde was geïdentificeerd in zowel de lidstaat waar de diensten daadwerkelijk zijn verricht als een andere lidstaat en vervolgens alleen in die andere lidstaat, en waarin de roerende lichamelijke zaken waarvoor die diensten zijn verricht, niet nadat die diensten waren verricht maar wel na de latere verkoop van die zaken zijn verzonden of vervoerd buiten de lidstaat waar de diensten daadwerkelijk zijn verricht.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/10 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 29 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesverwaltungsgericht — Duitsland) — Bundesrepublik Deutschland/Nordzucker AG
(Zaak C-148/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Milieu - Richtlijn 2003/87/EG - Regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie - Vaststelling van de omvang van de verplichting om emissierechten in te leveren - Sancties - Artikel 16, leden 1 en 3))
(2015/C 213/14)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesverwaltungsgericht
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Bundesrepublik Deutschland
Verwerende partij: Nordzucker AG
Dictum
Artikel 16, lid 3, van richtlijn 2003/87 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van richtlijn 96/61/EG van de Raad, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 oktober 2004, moet aldus worden uitgelegd dat deze bepaling niet van toepassing is op een exploitant die een hoeveelheid broeikasgasemissierechten inlevert die gelijk is aan de emissies in het voorgaande kalenderjaar zoals gerapporteerd en geverifieerd overeenkomstig artikel 15 van deze richtlijn, wanneer bij een door de bevoegde nationale autoriteit na afloop van de inlevertermijn uitgevoerde aanvullende verificatie blijkt dat deze emissies te laag zijn opgegeven, zodat de ingeleverde hoeveelheid emissierechten onvoldoende is.
Het is aan de lidstaten om overeenkomstig artikel 16, lid 1, van richtlijn 2003/87, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/101, de sancties vast te stellen die in een dergelijke situatie kunnen worden opgelegd.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/10 |
Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 22 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Suceava — Roemenië) — Casa Judeţeană de Pensii Botoşani/Polixeni Guletsou
(Zaak C-598/13) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Identieke prejudiciële vraag - Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Artikel 7, lid 2, onder c) - Toepasselijkheid van overeenkomsten inzake sociale zekerheid tussen lidstaten - Gerepatrieerde vluchteling die afkomstig is uit een lidstaat - Tijdvakken van arbeid die zijn vervuld op het grondgebied van een andere lidstaat - Aanvraag voor toekenning van een ouderdomspensioen - Weigering])
(2015/C 213/15)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Suceava
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Casa Judeţeană de Pensii Botoşani
Verwerende partij: Polixeni Guletsou
Dictum
Artikel 7, lid 2, onder c), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, moet aldus worden uitgelegd dat een bilaterale overeenkomst betreffende de socialezekerheidsuitkeringen van de onderdanen van een van de ondertekenende staten die de status van politiek vluchteling op het grondgebied van de andere verdragsluitende staat heeft gehad, welke overeenkomst is gesloten op een tijdstip waarop een van de ondertekenende staten nog niet tot de Unie was toegetreden en die niet in bijlage III bij deze verordening is opgenomen, niet van toepassing blijft wanneer de politieke vluchtelingen in hun staat van herkomst zijn gerepatrieerd vóórdat de bilaterale overeenkomst is gesloten en die verordening in werking is getreden.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/11 |
Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 22 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Galați — Roemenië) — Casa Judeţeană de Pensii Brăila/E.S.
(Zaak C-646/13) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EG) nr. 883/2004 - Artikel 8, lid 1 - Toepasselijkheid van overeenkomsten inzake sociale zekerheid tussen lidstaten - Gerepatrieerde vluchteling die afkomstig is uit een lidstaat - Tijdvakken van arbeid die zijn vervuld op het grondgebied van een andere lidstaat - Aanvraag voor toekenning van een ouderdomspensioen - Weigering))
(2015/C 213/16)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Galați
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Casa Judeţeană de Pensii Brăila
Verwerende partij: E.S.
Dictum
Artikel 8, lid 1, van verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 988/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009, moet aldus worden uitgelegd, dat een bilaterale overeenkomst betreffende de socialezekerheidsuitkeringen van de onderdanen van een van de ondertekenende staten die de status van politiek vluchteling op het grondgebied van de andere verdragsluitende staat hebben gehad, die is gesloten op een tijdstip waarop een van de ondertekenende staten nog niet tot de Europese Unie was toegetreden en die niet in bijlage II bij deze verordening is opgenomen, niet van toepassing blijft op de situatie van politieke vluchtelingen die naar hun staat van herkomst zijn gerepatrieerd voordat de bilaterale overeenkomst is gesloten en bovengenoemde verordening in werking is getreden.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/12 |
Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 22 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Suceava — Roemenië) — Casa Judeţeană de Pensii Botoşani/Evangeli Paraskevopoulou
(Zaak C-668/13) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Identieke prejudiciële vraag - Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Verordening (EEG) nr. 1408/71 - Artikel 7, lid 2, onder c) - Toepasselijkheid van overeenkomsten inzake sociale zekerheid tussen lidstaten - Gerepatrieerde vluchteling die afkomstig is uit een lidstaat - Tijdvakken van arbeid die zijn vervuld op het grondgebied van een andere lidstaat - Aanvraag voor toekenning van een ouderdomspensioen - Weigering])
(2015/C 213/17)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Suceava
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Casa Judeţeană de Pensii Botoşani
Verwerende partij: Evangeli Paraskevopoulou
Dictum
Artikel 7, lid 2, onder c), van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de socialezekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, in de gewijzigde en bijgewerkte versie van verordening (EG) nr. 118/97 van de Raad van 2 december 1996, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1992/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006, moet aldus worden uitgelegd dat een bilaterale overeenkomst betreffende de socialezekerheidsuitkeringen van de onderdanen van een van de ondertekenende staten die de status van politiek vluchteling op het grondgebied van de andere verdragsluitende staat heeft gehad, welke overeenkomst is gesloten op een tijdstip waarop een van de ondertekenende staten nog niet tot de Unie was toegetreden en die niet in bijlage III bij deze verordening is opgenomen, niet van toepassing blijft wanneer de politieke vluchtelingen in hun staat van herkomst zijn gerepatrieerd vóórdat de bilaterale overeenkomst is gesloten en die verordening in werking is getreden.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/12 |
Beschikking van het Hof (Derde kamer) van 12 februari 2015 — Enercon GmbH/Gamesa Eólica SL, Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-35/14 P) (1)
((Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Hogere voorziening die een „andere partij in de procedure voor de kamer van beroep” heeft ingesteld zonder voor het Gerecht een memorie van antwoord te hebben ingediend - Geen hoedanigheid van interveniërende partij voor het Gerecht - Kennelijke niet-ontvankelijkheid van de hogere voorziening))
(2015/C 213/18)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Enercon GmbH (vertegenwoordiger: J. Eberhardt, Rechtsanwalt)
Andere partijen in de procedure: Gamesa Eólica SL (vertegenwoordiger: E. Armijo Chávarri, abogado), Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: A. Folliard-Monguiral, gemachtigde)
Dictum
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
2) |
Enercon GmbH wordt behalve in haar eigen kosten verwezen in de kosten van Gamesa Eólica SL. |
3) |
Het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) draagt zijn eigen kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/13 |
Beschikking van het Hof (Derde kamer) van 10 maart 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Mercantil no 3 de Madrid — Spanje) — Rosa dels Vents Assessoria SL/U Hostels Albergues Juveniles SL
(Zaak C-491/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Artikel 99 van het Reglement voor de procesvoering van het Hof - Merken - Richtlijn 2008/95/EG - Artikel 5, lid 1 - Begrip „derde” - Houder van een later merk))
(2015/C 213/19)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de lo Mercantil no 3 de Madrid
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Rosa dels Vents Assessoria SL
Verwerende partij: U Hostels Albergues Juveniles SL
Dictum
Artikel 5, lid 1, van richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten moet aldus worden uitgelegd dat het uitsluitende recht van de houder van een merk om iedere derde het gebruik in het economische verkeer te verbieden van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met zijn merk, zich uitstrekt tot de derde die houder is van een jonger merk, zonder dat laatstbedoeld merk eerst nietig hoeft te worden verklaard.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/13 |
Beschikking van het Hof (Negende kamer) van 15 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale ordinario di Torino — Italië) — Strafzaak tegen Stefano Burzio
(Zaak C-497/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Handvest van de grondrechten van de Europese Unie - Artikel 50 - Beginsel ne bis in idem - Nationale wettelijke regeling houdende een bestuurlijke sanctie en een strafrechtelijke sanctie voor verzuim fiscale inhoudingen af te dragen - Geen tenuitvoerbrenging van het recht van de Unie - Kennelijke onbevoegdheid))
(2015/C 213/20)
Procestaal: Italiaans.
Verwijzende rechter
Tribunale ordinario di Torino
Partij in de strafzaak
Stefano Burzio
Dictum
Het Hof van Justitie van de Europese Unie is kennelijk onbevoegd om de door het Tribunale ordinario di Torino (Italië) bij beslissing van 27 oktober 2014 gestelde vraag te beantwoorden.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/14 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Hannover (Duitsland) op 23 februari 2015 — TUIfly GmbH/Wieland Volkert, Sonja Volkert, Linda Volkert
(Zaak C-83/15)
(2015/C 213/21)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Hannover
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij in beroep en verwerende partij: TUIfly GmbH
Verwerende partijen in beroep en verzoekende partijen: Wieland Volkert, Sonja Volkert, Linda Volkert
De zaak is bij beschikking van het Hof van 23 april 2015 doorgehaald in het register van het Hof.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/14 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd v Košiciach (Slowakije) op 9 maart 2015 — Kovozber s. r. o./Daňový úrad Košice
(Zaak C-120/15)
(2015/C 213/22)
Procestaal: Slowaaks
Verwijzende rechter
Krajský súd v Košiciach
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kovozber s. r. o.
Verwerende partij: Daňový úrad Košice
Prejudiciële vragen
1) |
Moet artikel 183, eerste alinea, van richtlijn 2006/112/EG, in de versie na wijziging bij richtlijn 2006/138/EG (1), aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een nationale regeling die de toekenning van vertragingsrente (voor verlate teruggaaf van te veel betaalde belasting over de toegevoegde waarde) afhankelijk stelt van het verstrijken van een periode van tien dagen na voltooiing van de belastingcontroles of het verzoek om teruggaaf van het te veel betaalde gegrond is? |
2) |
Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord: is het aan de nationale rechter om, uit hoofde van zijn discretionaire bevoegdheid, op basis van een juridische redenering naar analogie een adequate renteregeling vast te stellen ingeval het nationale recht geen regeling kent voor vertragingsrente na het verstrijken van tien dagen na voltooiing van de belastingcontroles? |
(1) PB L 384 van 29.12.2006, blz. 92.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesfinanzhof (Duitsland) op 12 maart 2015 — Max-Heinz Feilen/Finanzamt Fulda
(Zaak C-123/15)
(2015/C 213/23)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesfinanzhof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Max-Heinz Feilen
Verwerende partij: Finanzamt Fulda
Prejudiciële vraag
Staat de vrijheid van kapitaalverkeer van artikel 63, lid 1, juncto artikel 65 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie in de weg aan een regeling van een lidstaat die, in het geval van een verkrijging bij versterf door personen van een bepaalde tariefgroep, in een vermindering van de erfbelasting voorziet indien de nalatenschap vermogensbestanddelen omvat die in de loop van een periode van tien jaar vóór de verkrijging reeds door een persoon van die tariefgroep zijn verkregen en in die lidstaat erfbelasting is geheven ter zake van deze eerdere verkrijging, terwijl een vermindering is uitgesloten wanneer ter zake van de eerdere verkrijging erfbelasting is geheven in een andere lidstaat?
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf (Duitsland) op 30 maart 2015 — Deutsche Parkinson Vereinigung e.V./Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs e.V.
(Zaak C-148/15)
(2015/C 213/24)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Appellante: Deutsche Parkinson Vereinigung e.V.
Geïntimeerde: Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs e.V.
Prejudiciële vragen
1) |
Dient artikel 34 VWEU aldus te worden uitgelegd dat een door het nationale recht voorgeschreven prijsbinding voor receptplichtige geneesmiddelen een maatregel van gelijke werking als bedoeld in artikel 34 VWEU vormt? |
2) |
Voor het geval dat het Hof de eerste vraag bevestigend beantwoordt: Is de prijsbinding voor receptplichtige geneesmiddelen overeenkomstig artikel 36 VWEU ter bescherming van de gezondheid en het leven van personen gerechtvaardigd wanneer enkel op die manier een gelijke en volledige toegang tot geneesmiddelen in heel Duitsland, met name in de landelijke gebieden, wordt gewaarborgd? |
3) |
Voor het geval dat het Hof eveneens de tweede vraag bevestigend beantwoordt: Welke eisen dienen te worden gesteld aan de vaststelling door de rechter dat de in het tweede zinsdeel van de tweede vraag bedoelde voorwaarde is vervuld? |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/16 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel de Liège (België) op 30 maart 2015 — Sabrina Wathelet/Garage Bietheres & Fils SPRL
(Zaak C-149/15)
(2015/C 213/25)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour d’appel de Liège
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Sabrina Wathelet
Verwerende partij: Garage Bietheres & Fils SPRL
Prejudiciële vraag
Moet het begrip „verkoper” van consumptiegoederen in artikel 1649bis van het Belgische Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 1 september 1994 betreffende de bescherming van de consumenten bij verkoop van consumptiegoederen, waarbij Europese richtlijn 1999/44 van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (1) in Belgisch recht is omgezet, aldus worden uitgelegd dat het niet enkel betrekking heeft op een handelaar die in de hoedanigheid van verkoper de eigendom van een consumptiegoed overdraagt aan een consument, maar ook op een handelaar die optreedt als tussenpersoon voor een niet-professionele verkoper, ongeacht of hij voor zijn tussenkomst een vergoeding ontvangt en ongeacht of hij de kandidaat-koper heeft ingelicht dat de verkoper een particulier is?
(1) Richtlijn 1999/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen (PB L 171, blz. 12).
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/16 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Hoge Raad der Nederlanden (Nederland) op 15 april 2015 — Connexxion Taxi Services BV tegen Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport) e.a.
(Zaak C-171/15)
(2015/C 213/26)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Hoge Raad der Nederlanden
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Connexxion Taxi Services BV
Verweerders: Staat der Nederlanden (Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport), Transvision BV, Rotterdamse Mobiliteit Centrale RMC BV, Zorgvervoercentrale Nederland BV
Prejudiciële vragen
1) |
|
2) |
Indien het antwoord op vraag 1) a. ontkennend luidt: Verzet het Unierecht zich ertegen dat de nationale rechter de beoordeling aan de hand van het evenredigheidsbeginsel zoals die door een aanbestedende dienst in het concrete geval is verricht, niet „vol” toetst, maar volstaat met de („marginale”) toets of de aanbestedende dienst in redelijkheid heeft kunnen komen tot de beslissing om een inschrijver die een ernstige beroepsfout in de zin van artikel 45, lid 2, eerste alinea, van de richtlijn heeft begaan, desalniettemin niet uit te sluiten? |
(1) PB L 134, blz. 114.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/17 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Rechtbank Den Haag (Nederland) op 17 april 2015 — Vereniging Openbare Bibliotheken tegen Stichting Leenrecht, interveniënten: Nederlands Uitgeversverbond e.a.
(Zaak C-174/15)
(2015/C 213/27)
Procestaal: Nederlands
Verwijzende rechter
Rechtbank Den Haag
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster: Vereniging Openbare Bibliotheken
Verweerster: Stichting Leenrecht
Interveniënten: Nederlands Uitgeversverbond, Stichting LIRA, Stichting Pictoright
Prejudiciële vragen
1) |
Dienen de artikelen 1, lid 1, 2, lid 1, sub b, en 6, lid 1, van richtlijn 2006/115 (1) aldus te worden uitgelegd dat onder „uitlening” als daar bedoeld mede is te verstaan het zonder direct of indirect economisch of commercieel voordeel via een voor het publiek toegankelijke instelling voor gebruik ter beschikking stellen van auteursrechtelijk beschermde romans, verhalenbundels, biografieën, reisverslagen, kinderboeken en jeugdliteratuur
|
2) |
Als vraag 1) bevestigend moet worden beantwoord, staat artikel 6 van richtlijn 2006/115 en/of een andere bepaling van het Unierecht eraan in de weg dat lidstaten aan de toepassing van de in artikel 6 van richtlijn 2006/115 opgenomen beperking op het uitleenrecht de voorwaarde stellen dat de door de instelling ter beschikking gestelde kopie van het werk (reproductie A) in het verkeer is gebracht door een eerste verkoop of andere eigendomsovergang van die kopie in de Unie door de rechthebbende of met zijn toestemming in de zin van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2001/29 (2)? |
3. |
Als vraag 2) ontkennend moet worden beantwoord, stelt artikel 6 van richtlijn 2006/115 andere eisen aan de herkomst van de door de instelling ter beschikking gestelde kopie (reproductie A), zoals bijvoorbeeld de eis dat die kopie is verkregen uit legale bron? |
4. |
Als vraag 2) bevestigend moet worden beantwoord, dient artikel 4, lid 2, van richtlijn 2001/29 aldus te worden uitgelegd dat onder de eerste verkoop of andere eigendomsovergang van materiaal als daar bedoeld mede wordt verstaan het op afstand door middel van downloaden voor gebruik voor onbeperkte tijd ter beschikking stellen van een digitale kopie van auteursrechtelijk beschermde romans, verhalenbundels, biografieën, reisverslagen, kinderboeken en jeugdliteratuur? |
(1) Richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom (gecodificeerde versie) (PB L 376, blz. 28).
(2) Richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij (PB L 167, blz. 10).
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/18 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Bundesgerichtshof (Duitsland) op 21 april 2015 — Nelsons GmbH/Ayonnax Nutripharm GmbH, Bachblütentreff Ltd
(Zaak C-177/15)
(2015/C 213/28)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bundesgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekster tot „Revision”: Nelsons GmbH
Verweersters in „Revision”: Ayonnax Nutripharm GmbH, Bachblütentreff Ltd
Prejudiciële vragen
1) |
Zijn als gedistilleerde dranken aangeduide vloeistoffen met een alcoholgehalte van 27 volumeprocent die via apotheken in druppelbuisjes met een inhoud van 10 of 20 ml en als vernevelaar worden verkocht, dranken met een alcoholgehalte van meer dan 1,2 volumeprocent als bedoeld in artikel 4, lid 3, van verordening (EG) nr. 1924/2006 (1), wanneer volgens de aanwijzingen voor de dosering op hun verpakking
|
2) |
Ingeval de vragen 1a en 1b ontkennend dienen te worden beantwoord: Moeten ook bij verwijzingen naar algemene, niet-specifieke voordelen als bedoeld in artikel 10, lid 3, van verordening (EG) nr. 1924/2006 bewijzen in de zin van artikel 5, lid 1, onder a), en artikel 6, lid 1, van die verordening bestaan? |
3) |
Is artikel 28, lid 2, eerste zinsdeel, van verordening (EG) nr. 1924/2006 eveneens van toepassing wanneer het betrokken product onder zijn merknaam vóór 1 januari 2005 niet als levensmiddel, maar als geneesmiddel in de handel werd gebracht? |
(1) Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (PB L 404, blz. 9), laatstelijk gewijzigd bij verordening (EU) nr. 1047/2012 van de Commissie van 8 november 2012 (PB L 310, blz. 36).
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/19 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Cour d’appel de Paris (Frankrijk) op 29 april 2015 — Granarolo SpA/Ambrosi Emmi France SA
(Zaak C-196/15)
(2015/C 213/29)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Cour d’appel de Paris
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Granarolo SpA
Verwerende partij: Ambrosi Emmi France SA
Prejudiciële vragen
1) |
Moet artikel 5, lid 3, van verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 (1) aldus worden opgevat, dat sprake is van een verbintenis uit onrechtmatige daad bij de schadevordering wegens het verbreken van gevestigde handelsrelaties in het kader waarvan gedurende meerdere jaren zonder raamovereenkomst of exclusiviteit handelswaar werd geleverd aan een distributeur? |
2) |
Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, is artikel 5, lid 1, onder b), van die verordening dan van toepassing bij het vaststellen van de plaats waar de verplichting die dient als grondslag voor het verzoek in het in 1) bedoelde geval, moet worden nagekomen? |
(1) Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB L 12, blz. 1).
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/20 |
Beschikking van de president van het Hof van 30 maart 2015 — Europese Commissie/Republiek Polen, interveniërende partij: Koninkrijk der Nederlanden
(Zaak C-320/13) (1)
(2015/C 213/30)
Procestaal: Pools
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/20 |
Beschikking van de president van het Hof van 16 april 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 2 de Marchena — Spanje) — Caixabank, S.A./Francisco Javier Brenes Jiménez en Andrea Jiménez Jiménez
(Zaak C-548/13) (1)
(2015/C 213/31)
Procestaal: Spaans
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/20 |
Beschikking van de president van het Hof van 18 maart 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de Primera Instancia e Instrucción no 3 de Ávila — Spanje) — Banco de Caja España de Inversiones, Salamanca y Soria, SA/Francisco Javier Rodríguez Barbero, María Ángeles Barbero Gutiérrez
(Zaak C-75/14) (1)
(2015/C 213/32)
Procestaal: Spaans
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/20 |
Beschikking van de president van het Hof van 27 februari 2015 — Europese Commissie/Helleense Republiek
(Zaak C-77/14) (1)
(2015/C 213/33)
Procestaal: Grieks
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/21 |
Beschikking van de president van het Hof van 23 maart 2015 — Europese Commissie/Republiek Polen
(Zaak C-162/14) (1)
(2015/C 213/34)
Procestaal: Pools
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/21 |
Beschikking van de president van de Derde kamer van het Hof van 16 maart 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Raad van State — België) — Joris Van Hauthem, Ann Frans/Vlaamse Gemeenschap
(Zaak C-176/14) (1)
(2015/C 213/35)
Procestaal: Nederlands
De president van de Derde kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/21 |
Beschikking van de president van het Hof van 14 april 2015 — Europese Commissie/Ierland, interveniënten: Koninkrijk der Nederlanden, Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland
(Zaak C-217/14) (1)
(2015/C 213/36)
Procestaal: Engels
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/21 |
Beschikking van de president van het Hof van 30 maart 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Krajský súd v Prešove — Slowakije) — Provident Financial s. r. o./Zdeněk Sobotka, in tegenwoordigheid van Združenie na ochranu občana spotrebiteľa HOOS
(Zaak C-372/14) (1)
(2015/C 213/37)
Procestaal: Slowaaks
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/22 |
Beschikking van de president van het Hof van 19 maart 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale Amministrativo Regionale per il Piemonte — Italië) — Heart Life Croce Amica Srl/Regione Piemonte
(Zaak C-426/14) (1)
(2015/C 213/38)
Procestaal: Italiaans
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/22 |
Beschikking van de president van het Hof van 12 maart 2015 — Zweckverband Tierkörperbeseitigung in Rheinland-Pfalz, im Saarland, im Rheingau-Taunus-Kreis und im Landkreis Limburg-Weilburg, in liquidatie/Europese Commissie, Saria Bio-Industries AG & Co. KG, SecAnim GmbH, Knochen- und Fett-Union GmbH (KFU)
(Zaak C-447/14 P) (1)
(2015/C 213/39)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/22 |
Beschikking van de president van het Hof van 14 april 2015 — Europese Commissie/Groothertogdom Luxemburg
(Zaak C-536/14) (1)
(2015/C 213/40)
Procestaal: Frans
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/22 |
Beschikking van de president van het Hof van 27 februari 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Handelsgericht Wien — Oostenrijk) — Stephan Naumann/Austrian Airlines AG
(Zaak C-612/14) (1)
(2015/C 213/41)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/23 |
Beschikking van de president van het Hof van 10 maart 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Essen — Duitsland) — Staatsanwaltschaft Essen/Kanapathippilai Kanageswaran
(Zaak C-7/15) (1)
(2015/C 213/42)
Procestaal: Duits
De president van het Hof heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/24 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — Niki Luftfahrt/Commissie
(Zaak T-511/09) (1)
((„Staatssteun - Door Oostenrijk ten gunste van Austrian Airlines toegekende herstructureringssteun - Besluit waarbij de steunregeling onder bepaalde voorwaarden verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Privatisering van de Austrian Airlines-groep - Identificering van de steunbegunstigde - Richtsnoeren inzake reddings– en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden”))
(2015/C 213/43)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Niki Luftfahrt GmbH (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordigers: H. Asenbauer en A. Habeler, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Martenczuk en K. Gross, gemachtigden, bijgestaan door G. Quardt, advocaat, vervolgens B. Martenczuk en R. Sauer, gemachtigden, bijgestaan door G. Quardt en J. Lipinsky, advocaten)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordigers: C. Pesendorfer en M. Klamert, gemachtigden); Deutsche Lufthansa AG (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk H.-J. Niemeyer, H. Ehlers en M. Rosenberg, vervolgens H.-J. Niemeyer, H. Ehlers, C. Kovács en S. Völcker, advocaten); Austrian Airlines AG (Wenen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk H.-J. Niemeyer, H. Ehlers en M. Rosenberg, vervolgens H.-J. Niemeyer, H. Ehlers en C. Kovács, advocaten); en Österreichische Industrieholding AG (Wenen) (vertegenwoordigers: T. Zivny, P. Lewisch en H. Kristoferitsch, advocaten)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van beschikking 2010/137/EG van de Commissie van 28 augustus 2009, Steunmaatregel C 6/09 (ex N 663/08) — Oostenrijk Austrian Airlines — Herstructureringsplan (PB 2010, L 59, blz. 1), waarbij de herstructureringssteun die de Republiek Oostenrijk aan de Austrian Airlines-groep in het kader van de verkoop ervan aan Lufthansa heeft verleend, onder bepaalde voorwaarden verenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Niki Luftfahrt GmbH zal haar eigen kosten dragen, alsmede die van de Europese Commissie, de Österreichische Industrieholding AG, Deutsche Lufthansa AG en Austrian Airlines AG. |
3) |
De Republiek Oostenrijk zal haar eigen kosten dragen. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/24 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — Niki Luftfahrt/Commissie
(Zaak T-162/10) (1)
((„Mededinging - Concentraties - Luchtvervoer - Beschikking waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt wordt verklaard - Beoordeling van de gevolgen van de concentratie voor de mededinging - Verbintenissen”))
(2015/C 213/44)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Niki Luftfahrt GmbH (Wenen, Oostenrijk) (vertegenwoordigers: H. Asenbauer en A. Habeler, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Noë, R. Sauer en N. von Lingen, vervolgens S. Noë, R. Sauer en H. Leupold, gemachtigden)
Interveniënten aan de zijde van verwerende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Pesendorfer, E. Riedl en A. Posch, vervolgens C. Pesendorfer en M. Klamert, gemachtigden), Deutsche Lufthansa AG (Keulen, Duitsland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk S. Völcker en A. Israel, vervolgens S. Völcker en J. Orologas, advocaten) en Österreichische Industrieholding AG (Wenen) (vertegenwoordigers: H. Kristoferitsch, P. Lewisch en B. Kofler-Senoner, advocaten)
Voorwerp
Beroep tot nietigverklaring van beschikking C(2009) 6690 definitief van de Commissie van 28 augustus 2009 waarbij een concentratie verenigbaar met de gemeenschappelijke markt en de EER-Overeenkomst wordt verklaard (zaak COMP/M.5440 — Lufthansa/Austrian Airlines)
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Niki Luftfahrt GmbH zal haar eigen kosten en die van de Europese Commissie, Österreichische Industrieholding AG en Deutsche Lufthansa AG dragen. |
3) |
De Republiek Oostenrijk zal haar eigen kosten dragen. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/25 |
Arrest van het Gerecht van 12 mei 2015 — Technion en Technion Research & Development Foundation/Commissie
(Zaak T-480/11) (1)
([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten die in aanmerking zijn genomen bij een financiële audit van de uitvoering van bepaalde onderzoekscontracten gesloten in het kader van het zesde kaderprogramma voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie - Weigering van toegang - Uitzondering inzake de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits - Verplichting tot concreet en individueel onderzoek - Hoger openbaar belang”])
(2015/C 213/45)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: Technion — Israel Institute of Technology (Haïfa, Israël) en Technion Research & Development Foundation Ltd (Haïfa) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Grisay en D. Piccininno, vervolgens D. Grisay en C. Hartman, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk P. Costa de Oliveira en C. ten Dam, vervolgens F. Clotuche-Duvieusart, gemachtigden)
Voorwerp
Nietigverklaring van het besluit van 30 juni 2011 waarbij de Commissie Technion — Israel Institute of Technology de toegang heeft geweigerd tot documenten die in aanmerking zijn genomen bij een financiële audit van de uitvoering van bepaalde onderzoekscontracten die zijn gesloten in het kader van het zesde kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie, ter bevordering van de totstandbrenging van de Europese onderzoeksruimte en van innovatie (2002-2006)
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Technion — Israel Institute of Technology en Technion Research & Development Foundation Ltd worden verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/26 |
Arrest van het Gerecht van 12 mei 2015 — Ternavsky/Raad
(Zaak T-163/12) (1)
((„Gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid - Beperkende maatregelen tegen Belarus - Bevriezing van tegoeden - Beperkingen op de binnenkomst op en de doorreis via het grondgebied van de Europese Unie - Beoordelingsfout”))
(2015/C 213/46)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Anatoly Ternavsky (Moskou, Rusland) (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Rapin en E. Van den Haute, advocaten, vervolgens G. Berrisch, A. Polcyn, advocaten, en N. Chesaites, barrister, en ten slotte G. Berrisch)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: F. Naert en M.-M. Joséphidès, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2012/171/GBVB van de Raad van 23 maart 2012 tot uitvoering van besluit 2010/639/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus (PB L 87, blz. 95), uitvoeringsverordening (EU) nr. 265/2012 van de Raad van 23 maart 2012 houdende uitvoering van artikel 8 bis, lid 1, van verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus (PB L 87, blz. 37), besluit 2013/534/GBVB van de Raad van 29 oktober 2013 tot wijziging van besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus (PB L 288, blz. 69), uitvoeringsverordening (EU) nr. 1054/2013 van de Raad van 29 oktober 2013 tot uitvoering van artikel 8 bis, lid 1, van verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus (PB L 288, blz. 1), uitvoeringsbesluit 2014/24/GBVB van de Raad van 20 januari 2014 houdende uitvoering van besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus (PB L 16, blz. 32), en uitvoeringsverordening (EU) nr. 46/2014 van de Raad van 20 januari 2014 houdende uitvoering van verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus (PB L 16, blz. 3), voor zover zij betrekking hebben op verzoeker
Dictum
1) |
Uitvoeringsbesluit 2012/171/GBVB van de Raad van 23 maart 2012 tot uitvoering van besluit 2010/639/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus, uitvoeringsverordening (EU) nr. 265/2012 van de Raad van 23 maart 2012 houdende uitvoering van artikel 8 bis, lid 1, van verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus, besluit 2013/534/GBVB van de Raad van 29 oktober 2013 tot wijziging van besluit 2012/642/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Belarus, en uitvoeringsverordening (EU) nr. 1054/2013 van de Raad van 29 oktober 2013 tot uitvoering van artikel 8 bis, lid 1, van verordening (EG) nr. 765/2006 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Belarus, voor zover zij betrekking hebben op Anatoly Ternavsky, worden nietig verklaard. |
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
3) |
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten en de helft van de kosten die Ternavsky in deze procedure heeft gemaakt. |
4) |
Ternavsky draagt de helft van de kosten die hij in deze procedure heeft gemaakt. Hij draagt de kosten die hij in de procedure in kort geding heeft gemaakt en de kosten die de Raad in die procedure heeft gemaakt. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/27 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — Harper Hygienics/BHIM — Clinique Laboratories (CLEANIC natural beauty)
(Zaak T-363/12) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk CLEANIC natural beauty - Oudere gemeenschapswoordmerken CLINIQUE - Relatieve weigeringsgronden - Verwarringsgevaar - Soortgelijke waren en diensten - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Ongerechtvaardigd voordeel uit onderscheidend vermogen of reputatie van oudere merken - Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009”])
(2015/C 213/47)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Harper Hygienics S.A. (Warschau, Polen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Rumpel, vervolgens D. Rzążewska en G. Pietras, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Clinique Laboratories, LLC (Wilmington, Delaware, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. von Bomhard, A. Renck, advocaten, en K. Hughes, solicitor, vervolgens K. Hughes)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 25 mei 2012 (zaak R 1134/2011-2) inzake een oppositieprocedure tussen Clinique Laboratories, LLC en Harper Hygienics S.A.
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Harper Hygienics S.A. wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en van Clinique Laboratories, LLC. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/28 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — Harper Hygienics/BHIM — Clinique Laboratories (CLEANIC Kindii)
(Zaak T-364/12) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk CLEANIC Kindii - Oudere gemeenschapswoordmerken CLINIQUE - Relatieve weigeringsgronden - Verwarringsgevaar - Soortgelijke waren en diensten - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Ongerechtvaardigd voordeel uit onderscheidend vermogen of reputatie van oudere merken - Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009”])
(2015/C 213/48)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Harper Hygienics S.A. (Warschau, Polen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Rumpel, vervolgens D. Rzążewska en G. Pietras, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Clinique Laboratories, LLC (Wilmington, Delaware, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. von Bomhard, A. Renck, advocaten, en K. Hughes, solicitor, vervolgens K. Hughes)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 17 mei 2012 (zaak R 1135/2011-1) inzake een oppositieprocedure tussen Clinique Laboratories, LLC en Harper Hygienics S.A.
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Harper Hygienics S.A. wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en van Clinique Laboratories, LLC. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/28 |
Arrest van het Gerecht van 19 mei 2015 — Diputación Foral de Bizkaia/Commissie
(Zaak T-397/12) (1)
((„Staatssteun - Bouw - Steun van de Spaanse overheid aan de onderneming Habidite - Verdragen gesloten met het oog op de vestiging van een fabriek voor de productie van bouwelementen en de levering van een aantal door deze fabriek te vervaardigen woonmodules - Besluit waarbij de steun onrechtmatig is verklaard - Besluit waarbij de steun deels verenigbaar en deels onverenigbaar met de interne markt is verklaard - Geen voorafgaande kennisgeving - Rechten van verdediging - Motiveringsplicht”))
(2015/C 213/49)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Diputación Foral de Bizkaia (vertegenwoordiger: I. Sáenz-Cortabarría Fernández, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. Afonso, É. Gippini Fournier en P. Němečková, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om gedeeltelijke nietigverklaring van besluit C (2012) 4194 final van de Commissie van 27 juni 2012 inzake staatssteun nr. SA.28356 (C 37/2009) (ex N 226/2009)
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Diputación Foral de Bizkaia wordt verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/29 |
Arrest van het Gerecht van 12 mei 2015 — Dalli/Commissie
(Zaak T-562/12) (1)
((„Lid van de Commissie - Onderzoek door OLAF - Mondeling besluit waarbij de voorzitter van de Commissie de functie van de belanghebbende zou hebben beëindigd - Beroep tot nietigverklaring - Geen handeling waartegen beroep kan worden ingesteld - Niet-ontvankelijkheid - Beroep tot schadevergoeding”))
(2015/C 213/50)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: John Dalli (St. Julians, Malta) (vertegenwoordigers: L. Levi, A.-M. Alamanou en S. Rodrigues, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: B. Smulders, J. Baquero Cruz en J.-P. Keppenne, gemachtigden)
Voorwerp
Enerzijds, verzoek tot nietigverklaring van het mondelinge besluit van 16 oktober 2012 waarbij de voorzitter van de Europese Commissie verzoekers functie van lid van de Commissie zou hebben beëindigd, en anderzijds, verzoek tot vergoeding van de schade die verzoeker als gevolg van dit besluit zou hebben geleden schade
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
John Dalli wordt verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/30 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — Group Nivelles/BHIM — Easy Sanitairy Solutions (Doucheafvoergoot)
(Zaak T-15/13) (1)
([„Gemeenschapsmodel - Nietigheidsprocedure - Ingeschreven model dat een doucheafvoergoot afbeeldt - Ouder model - Nietigheidsgronden - Nieuwheid - Eigen karakter - Zichtbare kenmerken van het oudere model - Betrokken voortbrengselen - Artikelen 4 tot en met 7, 19 en artikel 25, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 6/2002”])
(2015/C 213/51)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Group Nivelles (Gingelom, België) (vertegenwoordiger: H. Jonkhout, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: S. Bonne en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Easy Sanitairy Solutions BV (Losser, Nederland) (vertegenwoordiger: F. Eijsvogels, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de derde kamer van beroep van het BHIM van 4 oktober 2012 (zaak R 2004/2010-3) inzake een nietigheidsprocedure tussen I-drain BVBA en Easy Sanitairy Solutions BV
Dictum
1) |
De beslissing van de derde kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 4 oktober 2012 (zaak R 2004/2010-3) wordt vernietigd. |
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
3) |
Het BHIM zal zijn eigen kosten alsmede die van Group Nivelles en van Easy Sanitairy Solutions BV dragen. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/30 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — Harper Hygienics/BHIM — Clinique Laboratories (CLEANIC intimate)
(Zaak T-363/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk CLEANIC intimate - Oudere gemeenschapswoordmerken CLINIQUE - Relatieve weigeringsgronden - Verwarringsgevaar - Soortgelijke waren en diensten - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Ongerechtvaardigd voordeel uit onderscheidend vermogen of reputatie van oudere merken - Artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009”])
(2015/C 213/52)
Procestaal: Pools
Partijen
Verzoekende partij: Harper Hygienics S.A. (Warschau, Polen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk R. Rumpel, vervolgens D. Rzążewska en G. Pietras, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Clinique Laboratories, LLC (Wilmington, Delaware, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: aanvankelijk V. von Bomhard, advocaat, en K. Hughes, solicitor, vervolgens K. Hughes)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het BHIM van 29 april 2013 (zaak R 606/2012-5) inzake een oppositieprocedure tussen Clinique Laboratories, LLC en Harper Hygienics S.A.
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Harper Hygienics S.A. wordt verwezen in haar eigen kosten en in de kosten van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en van Clinique Laboratories, LLC. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/31 |
Arrest van het Gerecht van 19 mei 2015 — Granette & Starorežná Distilleries/BHIM–Bacardi (42 VODKA JEMNÁ VODKA VYRÁBĚNÁ JEDINEČNOU TECHNOLOGIÍ 42 %vol.)
(Zaak T-607/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk 42 VODKA JEMNÁ VODKA VYRÁBĚNÁ JEDINEČNOU TECHNOLOGIÍ 42 %vol. - Ouder gemeenschapsbeeldmerk 42 BELOW - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 213/53)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Granette & Starorežná Distilleries a.s. (Ústí nad Labem, Tsjechische Republiek) (vertegenwoordiger: T. Chleboun, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: aanvankelijk D. Gája en P. Geroulakos, vervolgens M. Geroulakos en M. Šimandlova, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Bacardi Co. Ltd (Vaduz, Liechtenstein) (vertegenwoordiger: M. Reinisch, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 16 september 2013 (zaak R 1605/2012-2) inzake een oppositieprocedure tussen Bacardi Co. Ltd en Granette & Starorežná Distilleries a.s.
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Granette & Starorežná Distilleries a.s. zal zijn eigen kosten dragen, alsmede de kosten die zijn opgekomen voor het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en voor Bacardi Co. Ltd. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/32 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — easyGroup IP Licensing/BHIM — Tui (easyAir-tours)
(Zaak T-608/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapsbeeldmerk easyAir-tours - Ouder nationaal beeldmerk airtours Ticket Factory - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Geen overeenstemmende tekens - Geen verwarringsgevaar - Herzieningsbevoegdheid - Artikel 65, lid 3, van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 213/54)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: easyGroup IP Licensing Ltd (Londen, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: J. Day en K. Osgerby, solicitors)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: V. Melgar, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniërend voor het Gerecht: Tui AG (Hannover, Duitsland) (vertegenwoordiger: D. von Schultz, advocaat)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 5 september 2013 (zaak R 1029/2012-1) inzake een oppositieprocedure tussen Tui AG en easyGroup IP Licensing Ltd
Dictum
1) |
De beslissing van de eerste kamer van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) van 5 september 2013 (zaak R 1029/2012-1) wordt vernietigd. |
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
3) |
Het BHIM wordt verwezen in zijn eigen kosten en in de kosten van easyGroup IP Licensing Ltd. |
4) |
Tui AG zal haar eigen kosten dragen. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/33 |
Arrest van het Gerecht van 12 mei 2015 — Unión de Almacenistas de Hierros de España/Commissie
(Zaak T-623/13) (1)
([„Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Documenten betreffende twee nationale mededingingsprocedures - Documenten die een nationale mededingingsautoriteit aan de Commissie heeft overgelegd in het kader van de door het Unierecht vereiste samenwerking - Weigering van toegang - Uitzondering betreffende de bescherming van het doel van inspecties, onderzoeken en audits - Uitzondering betreffende de bescherming van de commerciële belangen van een derde - Geen verplichting voor de betrokken instelling om de inhoud van de in het verzoek om toegang bedoelde documenten concreet en individueel te onderzoeken wanneer het betrokken onderzoek definitief is afgesloten - Geen noodzaak van een maatregel tot organisatie van de procesgang strekkende tot overlegging van de litigieuze documenten - Geen inaanmerkingneming van de bijzondere situatie van de verzoeker”])
(2015/C 213/55)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Unión de Almacenistas de Hierros de España (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: A. Creus Carreras en A. Valiente Martin, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en F. Clotuche-Duvieusart, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van de verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze, K. Petersen en A. Lippstreu, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 18 september 2013 waarbij is geweigerd verzoekster toegang te verlenen tot bepaalde documenten betreffende de briefwisseling tussen de Commissie en de Comisión Nacional de la Competencia (Spaanse nationale commissie voor de mededinging) over twee door laatstgenoemde opgestarte nationale procedures
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Unión de Almacenistas de Hierros de España zal haar eigen kosten dragen alsook die van de Europese Commissie. |
3) |
De Bondsrepubliek Duitsland zal haar eigen kosten dragen. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/33 |
Arrest van het Gerecht van 12 mei 2015 — Tsjechische Republiek/Commissie
(Zaak T-51/14) (1)
([„Regeling inzake gegarandeerde traditionele specialiteiten - Verordening (EU) nr. 1151/2012 - Afwijzing van de aanvraag tot registratie van de benaming „pomazánkové máslo” (smeerbare boter) als gegarandeerde traditionele specialiteit - Samenhang met de bepalingen van verordening (EG) nr. 1234/2007 waarbij de voorwaarden voor het gebruik van de verkoopbenaming „boter” zijn vastgesteld”])
(2015/C 213/56)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek, J. Vláčil en J. Vitáková, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Guillem Carrau, Z. Malůšková en K. Walkerová, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van uitvoeringsbesluit 2013/658/EU van de Commissie van 13 november 2013 houdende afwijzing van een aanvraag tot inschrijving in het in verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad bedoelde register van gegarandeerde traditionele specialiteiten [Pomazánkové máslo (GTS)] (PB L 305, blz. 22)
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
De Tsjechische Republiek wordt verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/34 |
Arrest van het Gerecht van 19 mei 2015 — Swatch/BHIM — Panavision Europe (SWATCHBALL)
(Zaak T-71/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk SWATCHBALL - Gemeenschapswoord- en beeldmerken en internationale woord- en beeldmerken SWATCH en swatch - Relatieve weigeringsgrond - Afbreuk aan de reputatie - Artikel 8, lid 5, van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 213/57)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Swatch AG (Biel, Zwitserland) (vertegenwoordiger: P. González-Bueno Catalán de Ocón, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: J. Crespo Carrillo, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Panavision Europe Ltd (Greenford, Verenigd Koninkrijk)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 11 november 2013 (zaak R 470/2012-2) inzake een oppositieprocedure tussen Swatch AG en Panavision Europe Ltd
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Swatch AG wordt verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/35 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — Deutsche Post/BHIM — PostNL Holding (TPG POST)
(Zaak T-102/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk TPG POST - Oudere nationale en gemeenschapswoordmerken POST en Deutsche Post - Relatieve weigeringsgrond - Geen verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 213/58)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Deutsche Post AG (Bonn, Duitsland) (vertegenwoordigers: K. Hamacher en C. Giersdorf, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: G. Schneider en S. Hanne, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: PostNL Holding BV (Den Haag, Nederland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 11 december 2013 (zaak R 2108/2012-1) inzake een oppositieprocedure tussen PostNL Holding BV en Deutsche Post AG
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Deutsche Post AG wordt verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/35 |
Arrest van het Gerecht van 13 mei 2015 — Ferring/BHIM — Kora (Koragel)
(Zaak T-169/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk Koragel - Ouder gemeenschapswoordmerk CHORAGON - Relatieve weigeringsgrond - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 213/59)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Ferring BV (Hoofddorp, Nederland) (vertegenwoordiger: A. Thünken, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Kora Corp. Ltd (Swords, Ierland)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 13 januari 2014 (zaak R 721/2013-4) inzake een oppositieprocedure tussen Ferring BV en Kora Corp. Ltd.
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Ferring BV wordt verwezen in de kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/36 |
Beschikking van het Gerecht van 30 april 2015 — EEB/Commissie
(Zaak T-250/14) (1)
((„Beroep tot nietigverklaring - Toegang tot documenten - Verordening (EG) nr. 1049/2001 - Briefwisseling tussen de Commissie en twee lidstaten over de uitvoering van een nationaal plan voor de overgangsfase (NPO) overeenkomstig richtlijn 2010/75/EU - Impliciete weigering van toegang - Afdoening zonder beslissing - Nieuwe vorderingen - Niet-ontvankelijkheid”))
(2015/C 213/60)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: European Environmental Bureau (EEB) (Brussel, België) (vertegenwoordigers: C. Stothers, solicitor, M. Van Kerckhove en C. Simphal, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Baquero Cruz en F. Clotuche-Duvieusart, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot nietigverklaring van het impliciete besluit van de Commissie van 13 februari 2014 waarbij de toegang wordt geweigerd tot documenten afkomstig van de Republiek Bulgarije en de Tsjechische Republiek
Dictum
1) |
Op de vorderingen van het European Environmental Bureau (EEB) tot nietigverklaring van het impliciete besluit van de Europese Commissie van 13 februari 2014 waarbij de toegang wordt geweigerd tot documenten afkomstig van de Republiek Bulgarije en van de Tsjechische Republiek, hoeft niet meer te worden beslist. |
2) |
De door het EEB ingediende vorderingen tot schadevergoeding worden kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. |
3) |
De Commissie wordt verwezen in haar eigen kosten alsmede in die van het EEB. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/36 |
Beschikking van de president van het Gerecht van 6 mei 2015 — Deza/ECHA
(Zaak T-115/15 R)
([„Kort geding - REACH - Plaatsing van de chemische stof bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) op de lijst van „in aanmerking komende stoffen” - Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging - Geen spoedeisendheid”])
(2015/C 213/61)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Deza, a.s. (Valašské Meziříčí, Tsjechië) (vertegenwoordiger: P. Dejl, advocaat)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) (vertegenwoordigers: M. Heikkilä, W. Broere en T. Zbihlej, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van besluit ED/108/2014 van de uitvoerend directeur van ECHA van 12 december 2014, dat onder meer strekt tot actualisering per 17 december 2014 van de bestaande vermelding voor de chemische stof bis(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP) in de lijst van stoffen die in aanmerking komen om uiteindelijk te worden opgenomen in bijlage XIV bij verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (gerectificeerde versie PB 2007, L 136, blz. 3), zoals gewijzigd
Dictum
1) |
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen. |
2) |
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/37 |
Beroep ingesteld op 27 maart 2015 — Tsjechië/Commissie
(Zaak T-141/15)
(2015/C 213/62)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek en J. Očková, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
nietigverklaring van uitvoeringsbesluit (EU) 2015/103 van de Commissie van 16 januari 2015 houdende onttrekking aan EU-financiering van bepaalde uitgaven die de lidstaten hebben verricht in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) of in het kader van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 53) voor zover daarbij door de Tsjechische Republiek verrichte uitgaven ten belope van 2 1 23 199,04 EUR worden onttrokken aan financiering; |
— |
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
1. |
Eerste middel: schending van artikel 5 van verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad (1) en het rechtzekerheidsbeginsel en dientengevolge de bescherming van gerechtvaardigde verwachtingen.
|
2. |
Tweede middel: schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie junctis de artikelen 11 en 16 van verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie (2) en artikel 31 van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad.
|
(1) Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad van 29 april 2008 houdende een gemeenschappelijke ordening van de wijnmarkt, tot wijziging van de verordeningen (EG) nr. 1493/1999, (EG) nr. 1782/2003, (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 3/2008 en tot intrekking van de verordeningen (EEG) nr. 2392/86 en (EG) nr. 1493/1999 (PB L 148, blz. 1).
(2) Verordening (EG) nr. 885/2006 van de Commissie van 21 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad met betrekking tot de erkenning van de betaalorganen en andere instanties en de goedkeuring van de rekeningen inzake het ELGF en het ELFPO (PB L 171, blz. 90).
(3) Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 209, blz. 1).
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/38 |
Beroep ingesteld op 30 maart 2015 — Tsjechië/Commissie
(Zaak T-147/15)
(2015/C 213/63)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Tsjechische Republiek (vertegenwoordigers: M. Smolek, T. Müller, J. Očková en J. Vláčil, gemachtigden)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
nietigverklaring van besluit BUDG/B/3/RDL D(15)217973 van 20 januari 2015 waarbij de Commissie een verzoek om overeenkomstig artikel 17, lid 2, van verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad (1) te worden vrijgesteld van de verplichting om eigen middelen ten belope van 5 3 9 76 340 CZK ter beschikking te stellen, heeft afgewezen; |
— |
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
1. |
Eerste middel: schending van artikel 17, leden 1 en 2, van verordening nr. 1150/2000 van de Raad
|
2. |
Tweede middel: schending van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en het recht van verweer van de Tsjechische Republiek.
|
(1) Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van besluit 94/728/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (PB L 130, blz. 1).
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/39 |
Beroep ingesteld op 8 mei 2015 — Grupo de originacion y analisis/BHIM — Bankinter (BK PARTNERS)
(Zaak T-228/15)
(2015/C 213/64)
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Grupo de originacion y analisis (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: A. Burgueño Minguela en H. Pequerul Palenciano, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Bankinter, SA (Madrid, Spanje)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met de woordelementen „BK PARTNERS” — inschrijvingsaanvraag nr. 10 550 051
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 5 maart 2015 in zaak R 1329/2014-1
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het BHIM en de andere partij in de procedure voor het BHIM in de kosten. |
Aangevoerd middel
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/40 |
Beroep ingesteld op 5 mei 2015 — Haswani/Raad
(Zaak T-231/15)
(2015/C 213/65)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: George Haswani (Yabroud, Syrië) (vertegenwoordiger: G. Karouni, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
— |
uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/375 van de Raad van 6 maart 2015 tot uitvoering van verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië, nietig verklaren, voor zover zij verzoeker betreft; |
— |
uitvoeringsbesluit (GBVB) 2015/383 van de Raad van 6 maart 2015 houdende uitvoering van besluit 2013/255/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië, nietig verklaren, voor zover het verzoeker betreft; |
— |
dientengevolge, gelasten dat de naam van George Haswani wordt geschrapt uit de bijlagen bij voornoemde handelingen; |
— |
de Raad veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van 7 00 000 EUR tot vergoeding van alle schade; |
— |
de Raad verwijzen in zijn eigen kosten alsmede in die welke verzoeker heeft opgelopen en ten aanzien waarvan hij zich het recht voorbehoudt deze in de loop van het geding te bewijzen. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker vijf middelen aan.
1. |
Eerste middel: schending van de rechten van verdediging, het recht om vooraf te worden gehoord en het recht op een eerlijk proces. |
2. |
Tweede middel: schending van de motiveringsplicht, aangezien de motivering van de bestreden handelingen ontoereikend en onnauwkeurig is. |
3. |
Derde middel: kennelijke beoordelingsfout en ontbreken van bewijzen, aangezien er voor de jegens verzoeker vastgestelde beperkende maatregelen geen werkelijke en ernstige grond is. |
4. |
Vierde middel: schending van het algemene beginsel van evenredigheid. |
5. |
Vijfde middel: middel betreffende verzoekers verzoek om schadevergoeding. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/40 |
Beroep ingesteld op 11 mei 2015 — Cofra/BHIM — Armand Thiery (1841)
(Zaak T-233/15)
(2015/C 213/66)
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Cofra Holding AG (Zug, Zwitserland) (vertegenwoordiger: M. Aznar Alonso, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Armand Thiery SAS (Levallois Perret, Frankrijk)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Houder van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „1841” — gemeenschapsmerk nr. 9 119 553
Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het BHIM van 26 februari 2015 in zaak R 805/2014-1
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het BHIM en de andere partij in de beroepsprocedure, indien zij in de onderhavige procedure intervenieert, in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
Schending van artikel 57, lid 2, van verordening nr. 207/2009 en van regel 40, lid 6, van verordening nr. 2868/95; |
— |
Schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/41 |
Beschikking van het Gerecht van 4 mei 2015 — Spanje/Commissie
(Zaak T-25/14) (1)
(2015/C 213/67)
Procestaal: Spaans
De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
Gerecht voor ambtenarenzaken
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/42 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 18 mei 2015 — Gyarmathy/EWDD
(Zaak F-79/13) (1)
((Openbare dienst - Personeel van EWDD - Tijdelijk functionaris - Niet-verlenging van de aanstellingsovereenkomst - Psychisch geweld - Verzoek om bijstand - Administratief onderzoek - Verstekvonnis - Onderzoek van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift - Bezwarend besluit - Niet-ontvankelijkheid - Toewijzing van kosten))
(2015/C 213/68)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Valéria Anna Gyarmathy (Györ, Hongarije) (vertegenwoordigers: L. Levi en M. Vandenbussche, advocaten)
Verwerende partij: Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (vertegenwoordigers: D. Storti en F. Pereyra, gemachtigden, B. Wägenbaur, advocaat)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van, enerzijds, het besluit tot afwijzing van verzoeksters verzoek om te erkennen dat er sprake is van psychisch geweld door haar hiërarchieke meerdere en, anderzijds, het besluit om haar overeenkomst niet te verlengen alsmede, dientengevolge, verzoek om instelling van een nieuw onderzoek en toekenning van een vergoeding voor de geleden materiële en immateriële schade
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
(1) PB C 31 van 1.2.2014, blz. 22.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/42 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 18 mei 2015 — Dupré/EDEO
(Zaak F-11/14) (1)
((Openbare dienst - Personeel van EDEO - Tijdelijk functionaris - Artikel 98 van het Statuut - Artikel 2, onder e, RAP - Aanstellingsovereenkomst - Indeling - Exceptie van onwettigheid van de kennisgeving van vacature - Ambt van de rang AD 5 dat openstaat voor het personeel van de nationale diplomatieke diensten en ambtenaren van de rang AD 5 tot AD 14 - Beginsel van overeenstemming tussen de rang en het ambt - Verstekvonnis))
(2015/C 213/69)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Bruno Dupré (Etterbeek, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Tymen, advocaten)
Verwerende partij: Europese Dienst voor extern optreden (vertegenwoordigers: S. Marquardt en M. Silva, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van verzoekers overeenkomst voor zover hij daarbij wordt ingedeeld in de rang AD5 en om vergoeding van de schade die hij zou hebben geleden
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen. |
(1) PB C 102 van 7.4.2014, blz. 45.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/43 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 18 mei 2015 — Bischoff/Commissie
(Zaak F-36/14) (1)
((Openbare dienst - Ambtenaren - Ambtshalve pensionering - Artikel 23, lid 1, van bijlage XIII bij het Statuut - Pensioenleeftijd - Weigering om dienstperiode te verlengen - Artikel 52, tweede alinea, van het Statuut - Dienstbelang))
(2015/C 213/70)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Hartwig Bischoff (Brussel, België) (vertegenwoordigers: C. Bernard-Glanz en A. Blot, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en C. Ehrbar, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van de besluiten van de Commissie tot afwijzing van verzoekers verzoek om verlenging van de dienst en tot bevestiging van zijn ambtshalve pensionering op 1 juni 2014
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Bischoff draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in alle kosten van de Europese Commissie. |
(1) PB C 292 van 1.9.2014, blz. 60.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/44 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 18 mei 2015 — Pohjanmäki/Raad
(Zaak F-44/14) (1)
((Openbare dienst - Ambtenaren - Bevordering - Vergelijking van verdiensten - Respectieve rol van het TABG en RCB - Ontbreken van beoordelingsrapporten - Geen raadpleging van de beoordelingsrapporten door de leden van de RCB - Verenigbaarheid van de functie van rapporteur bij de RCB en voormalig beoordelaar - Kennelijk onjuiste beoordeling - Diensttijd in de rang - Niveau van gedragen verantwoordelijkheden - Zorgplicht))
(2015/C 213/71)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Jaana Pohjanmäki (Brussel, België) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer, E. Rebasti en M. Veiga, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Raad om verzoekster niet naar de rang AD13 te bevorderen en om toekenning van een vergoeding voor de immateriële schade die zij zou hebben geleden
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Pohjanmäki zal de helft van haar eigen kosten dragen. |
3) |
De Raad van de Europese Unie zal zijn eigen kosten dragen en wordt verwezen in de helft van de kosten van Pohjanmäki. |
(1) PB C 212 van 7.7.2014, blz. 46.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/44 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Eerste kamer) van 19 mei 2015 — Brune/Commissie
(Zaak F-59/14) (1)
((Openbare dienst - Algemeen vergelijkend onderzoek EPSO/AD/26/05 - Niet-plaatsing op de reservelijst - Nietigverklaring door het Gerecht - Artikel 266 VWEU - Organisatie van een nieuw mondeling examen - Weigering van de kandidaat om daaraan deel te nemen - Nieuw besluit om de kandidaat niet op de reservelijst te plaatsen - Beroep tot nietigverklaring - Verwerping - Bevestiging in hogere voorziening van het arrest van het Gerecht - Later verzoek om schadevergoeding - Eerbiediging van de redelijke termijn))
(2015/C 213/72)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Markus Brune (Bonn, Duitsland) (vertegenwoordiger: H. Mannes, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en G. Gattinara, gemachtigen, B. Wägenbaur, advocaat)
Voorwerp
Verzoek om vergoeding van de schade die zou zijn geleden als gevolg van het verlies van een kans om te worden aangeworven in een ambt bij de EU, gebaseerd op het arrest in zaak F-5/08
Dictum
1) |
De Europese Commissie wordt veroordeeld tot betaling aan Brune, voor zijn immateriële schade tussen 6 maart 2007 en 4 februari 2011, van het bedrag van 4 000 EUR, vermeerderd met vertragingsrente vanaf 17 april 2013 tegen de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee punten. |
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
3) |
De Europese Commissie draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de helft van de kosten van Brune. |
4) |
Brune draagt de helft van zijn eigen kosten. |
(1) PB C 431 van 1.12.2014, blz. 48.
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/45 |
Beroep ingesteld op 16 april 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-55/15)
(2015/C 213/73)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: L. Levi en A. Tymen, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van de Commissie, primair voor zover verzoeker daarbij de ontheemdingstoelage wordt ontnomen en de toelage voor verblijf in het buitenland wordt toegekend en, subsidiair, voor zover daarbij de terugbetaling wordt gelast van de ten onrechte betaalde bedragen, alsmede vergoeding van de materiële en immateriële schade die hij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
— |
primair, nietigverklaring van het besluit van 18 juli 2014 voor zover verzoeker daarbij met terugwerkende kracht vanaf 1 juli 2009 de ontheemdingstoelage wordt ontnomen en de toelage voor verblijf in het buitenland wordt toegekend; |
— |
subsidiair, nietigverklaring van het besluit van 18 juli 2014 voor zover daarbij de terugbetaling van de ten onrechte betaalde bedragen wordt gelast; |
— |
nietigverklaring van het besluit van 7 januari 2015 tot afwijzing van verzoekers klacht van 12 september 2014, indien nodig en in elk geval meer subsidiair, voor zover daarbij wordt geweigerd om de maandelijkse inhoudingen krachtens artikel 85 van het Statuut te verminderen; |
— |
vergoeding van verzoekers materiële schade; |
— |
vergoeding van verzoekers immateriële schade, welke op 10 000 EUR wordt begroot; |
— |
verwijzing van de verwerende partij in alle kosten van de procedure. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/46 |
Beroep ingesteld op 17 april 2015 — ZZ en ZZ/Commissie
(Zaak F-56/15)
(2015/C 213/74)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: ZZ en ZZ (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van de besluiten om de aanpassingscoëfficiënt te verminderen die wordt toegepast op het pensioen van de in Denemarken woonachtige verzoekers, zoals deze vermindering volgt uit hun pensioenafrekening over de maand juni 2014 en vergoeding van de immateriële schade die zij zouden hebben geleden als gevolg van afwijkende en tegenstrijdige informatie ter motivering van de bestreden besluiten
Conclusies van de verzoekende partijen
— |
nietigverklaring van de besluiten vervat in de pensioenafrekeningen over juni 2014 waarbij de op verzoekers’ pensioen toepasselijke aanpassingscoëfficiënt met ingang van 1 januari 2014 is verminderd; |
— |
veroordeling van de Europese Commissie tot betaling van de kosten van de procedure alsmede tot betaling van een ex aequo et bono vastgesteld bedrag ter vergoeding van de geleden immateriële schade. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/46 |
Beroep ingesteld op 20 april 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-57/15)
(2015/C 213/75)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Verklaring van onwettigheid van artikel 9 van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van 3 maart 2011 (AUB) en nietigverklaring van het besluit tot bevestiging van de overdracht van de door verzoekster verworven pensioenrechten aan de pensioenregeling van de instellingen van de Unie krachtens de nieuwe AUB
Conclusies van de verzoekende partij
— |
artikel 9 van de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut onwettig verklaren; |
— |
nietig verklaren het besluit van 18 september 2014 om de extra pensioenrechten die verzoekster vóór haar indiensttreding heeft verworven, in het kader van de overdracht daarvan aan de pensioenregeling van de instellingen van de Europese Unie, te berekenen krachtens de algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut van 3 maart 2011; |
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/47 |
Beroep ingesteld op 20 april 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-58/15)
(2015/C 213/76)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Tymen, advocaten)
Verwerende partij: Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om niet de ziektekosten van verzoekers echtgenote te vergoeden krachtens de aanvullende dekking van het GSZV waaronder zij valt en vergoeding van de geleden materiële en immateriële schade
Conclusies van de verzoekende partij
— |
nietigverklaring van het besluit van het afwikkelingsbureau te Ispra van 9 juli 2014 houdende weigering om de ziektekosten te vergoeden zoals gevraagd bij verzoekers verzoek van 3 januari 2014; |
— |
nietigverklaring van het besluit van de Europese Commissie van 8 januari 2015 tot afwijzing van verzoekers klacht van 16 september 2014, aangevuld bij de nota van 29 september 2014; |
— |
vergoeding van verzoekers materiële schade; |
— |
vergoeding van verzoekers immateriële schade welke ex aequo et bono op 5 000 EUR wordt begroot; |
— |
verwijzing van de verwerende partij in alle kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/48 |
Beroep ingesteld op 21 april 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-59/15)
(2015/C 213/77)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: T. Bontinck en A. Guillerme, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om niet de toelage bij vertrek te betalen die verzoeker na de beëindiging van zijn werkzaamheden heeft gevraagd alsmede toekenning van een vergoeding voor de schade die hij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
— |
de betaling van de gevraagde toelage bij vertrek gelasten, vermeerderd met rente vanaf 26 maart 2014, de datum waarop die toelage had moeten worden betaald, berekend op basis van de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee punten; |
— |
de door verzoeker geleden schade vergoeden, welke, onder voorbehoud van een vermeerdering of vermindering in de loop van de procedure, wordt begroot op 4 275,80 EUR, vermeerderd met rente vanaf de datum van de indiening van de klacht (dat wil zeggen 16 september 2014), berekend op basis van de rentevoet die de Europese Centrale Bank voor de betrokken periode voor de basisherfinancieringstransacties heeft vastgesteld, vermeerderd met twee punten; |
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van de procedure. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/48 |
Beroep ingesteld op 22 april 2015 — ZZ/BHIM
(Zaak F-60/15)
(2015/C 213/78)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: N. Lhoëst, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van de President van het BHIM van 4 juni 2014 tot beëindiging van verzoekers overeenkomst van tijdelijk functionaris alsmede verzoek om, indien mogelijk, weer in dienst te worden genomen bij het BHIM en, indien niet, een redelijke financiële vergoeding te krijgen voor de vermeende onrechtmatige beëindiging van zijn overeenkomst en, ten slotte, verzoek om vergoeding van de immateriële schade die hij zou hebben geleden
Conclusies van de verzoekende partij
— |
nietig verklaren het besluit van de President van het BHIM van 4 juni 2014 tot beëindiging van verzoekers overeenkomst van tijdelijk functionaris; |
— |
dientengevolge, gelasten dat verzoeker weer in dienst wordt genomen en de verwerende partij veroordelen tot (i) betaling, bij wijze van schadevergoeding, van verzoekers bezoldiging over de periode tussen de inwerkingtreding van de beëindiging van zijn overeenkomst en de datum waarop hij als gevolg van de nietigverklaring van het bestreden besluit weer in dienst wordt genomen en (ii) herstel van zijn loopbaan die bij het bestreden besluit op onregelmatige wijze is geëindigd; |
— |
subsidiair, indien verzoekers reïntegratie grote praktische problemen meebrengt of buitensporig lijkt gelet op de situatie van derden, de verwerende partij veroordelen tot betaling van een redelijke financiële vergoeding voor de onrechtmatige beëindiging van zijn overeenkomst, daarbij niet alleen rekening houdend met het verlies van bezoldiging voor het verleden maar eveneens met verzoekers serieuze kans om tot zijn pensioenleeftijd op grond van een overeenkomst voor onbepaalde tijd in dienst te blijven van het BHIM en daar carrière te maken; |
— |
in elk geval, de verwerende partij veroordelen tot betaling van een vergoeding voor de geleden immateriële schade, welke ex aequo et bono op 15 000 EUR wordt begroot; |
— |
het BHIM verwijzen in alle kosten. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/49 |
Beroep ingesteld op 23 april 2015 — ZZ en ZZ/Parlement
(Zaak F-62/15)
(2015/C 213/79)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: ZZ en ZZ (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)
Verwerende partij: Europees Parlement
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van de besluiten om de aanpassingscoëfficiënt te verminderen die wordt toegepast op het pensioen van de in Denemarken woonachtige verzoekers, zoals deze vermindering volgt uit hun pensioenafrekening over de maand juni 2014 en vergoeding van de immateriële schade die zij zouden hebben geleden als gevolg van afwijkende en tegenstrijdige informatie ter motivering van de bestreden besluiten
Conclusies van de verzoekende partijen
— |
nietigverklaring van de besluiten vervat in de pensioenafrekening over juni 2014 waarbij de op verzoekers’ pensioen toepasselijke aanpassingscoëfficiënt met ingang van 1 januari 2014 is verminderd; |
— |
veroordeling van het Europees Parlement tot betaling van de kosten van de procedure alsmede tot betaling van een ex aequo et bono vastgesteld bedrag ter vergoeding van de geleden immateriële schade. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/50 |
Beroep ingesteld op 24 april 2015 — ZZ en ZZ/EESC
(Zaak F-66/15)
(2015/C 213/80)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partijen: ZZ e.a. (vertegenwoordigers: S. Orlandi en T. Martin, advocaten)
Verwerende partij: Europees Economisch en Sociaal Comité (EESC)
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van de besluiten om de aanpassingscoëfficiënt te verminderen die wordt toegepast op het pensioen van de in Denemarken woonachtige verzoekers, zoals deze vermindering volgt uit hun pensioenafrekening over de maand juni 2014 en vergoeding van de immateriële schade die zij zouden hebben geleden als gevolg van afwijkende en tegenstrijdige informatie ter motivering van de bestreden besluiten
Conclusies van de verzoekende partijen
— |
nietigverklaring van de besluiten vervat in de pensioenafrekening over juni 2014 waarbij de op verzoekers’ pensioen toepasselijke aanpassingscoëfficiënt met ingang van 1 januari 2014 is verminderd; |
— |
veroordeling van het EESC tot betaling van de kosten van de procedure alsmede tot betaling van een ex aequo et bono vastgesteld bedrag ter vergoeding van de geleden immateriële schade. |
29.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 213/50 |
Beroep ingesteld op 24 april 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-67/15)
(2015/C 213/81)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordiger: A. Salerno, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit om verzoeksters overeenkomst na afloop ervan niet te verlengen, ofschoon zij bijna aan het einde van haar zwangerschap was
Conclusies van de verzoekende partij
— |
nietigverklaring van het besluit van het TAOBG van de Commissie om de op 31 augustus 2014 aflopende overeenkomst niet te verlengen; |
— |
de verwerende partij te verwijzen in alle kosten. |