ISSN 1977-0995 |
||
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406 |
|
![]() |
||
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
58e jaargang |
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
IV Informatie |
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
2015/C 406/01 |
||
2015/C 406/02 |
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2015/C 406/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/2 |
Besluit van het Hof van Justitie van de Europese Unie
van 10 juni 2014
inzake de opslag van de historische archieven van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de historische archieven van de Europese Unie (Europees Universitair Instituut)
(2015/C 406/02)
HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en met name de artikelen 35 en 53, alsmede artikel 7, lid 1, van bijlage I,
Gezien artikel 20, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering van het Hof van Justitie, artikel 26 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht en artikel 19, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht voor ambtenarenzaken,
Gezien Verordening (EEG, Euratom) nr. 354/83 van de Raad van 1 februari 1983 inzake het voor het publiek toegankelijk maken van de historische archieven van de Europese Economische Gemeenschap en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (1), gewijzigd bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1700/2003 van de Raad van 22 september 2003 (2),
Gezien het akkoord tussen de Europese Gemeenschappen en het Europees Universitair Instituut (EUI) van 17 december 1984 over de overeenkomst inzake de opslag van de historische archieven van de Gemeenschappen bij de EUI en het voor het publiek toegankelijk maken daarvan door het EUI, en met name artikel 3,
Gezien Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (3),
Gezien het besluit van het Administratief Comité van 29 april 2013 inzake de samenstelling van de catalogus van de historische archieven,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voorwerp
1. Bij dit besluit worden de interne regels vastgesteld voor de opslag van de historische archieven van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij de historische archieven van de Europese Unie (Europees Universitair Instituut).
2. Dit besluit wordt aangevuld door de regelingen van het Hof van Justitie, het Gerecht en het Gerecht voor ambtenarenzaken over de wijze waarop de door deze rechterlijke instanties in het kader van hun gerechtelijke taken gehouden documenten worden bewaard en voor het publiek toegankelijk worden gemaakt, en door het besluit van de griffier van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de wijze waarop de door het Hof van Justitie van de Europese Unie in de uitoefening van zijn administratieve taken gehouden documenten worden bewaard en voor het publiek toegankelijk worden gemaakt.
Artikel 2
Werkingssfeer
1. Dit besluit is van toepassing op de historische archieven van het Hof van Justitie van de Europese Unie die voortkomen uit de activiteiten van de rechterlijke instanties en de diensten waaruit de instelling bestaat.
2. Onder historische archieven van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt verstaan alle originelen, of documenten die als zodanig gelden, die ouder zijn dan dertig jaar en in de catalogus zijn opgenomen overeenkomstig het door het Administratief Comité vastgestelde klasseringsschema. Voor documenten die onder een gerechtelijke procedure vallen, wordt de periode van dertig jaar berekend vanaf de datum van sluiting van de desbetreffende procedure.
3. Het klasseringsplan van de catalogus van de historische archieven van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt overeenkomstig de besluiten van het Administratief Comité gewijzigd.
Artikel 3
Opslag van de historische archieven
1. Het Hof van Justitie van de Europese Unie draagt zijn historische archieven voor opslag bij het EUI over onder de voorwaarden die bij dit besluit en bij een met het EUI daartoe gesloten overeenkomst zijn vastgesteld.
2. De verantwoordelijkheid voor en de financiële voorwaarden rond de opslag en de digitalisering van de historische archieven van het Hof van Justitie van de Europese Unie bij het EUI, alsmede de kosten van vervoer en overdracht ervan, worden bepaald in de overeenkomst tussen het Hof van Justitie van de Europese Unie en het EUI.
3. Lid 1 staat er niet aan in de weg dat het Hof van Justitie van de Europese Unie bepaalde originelen, of documenten die als zodanig gelden, om juridische redenen of ten behoeve van de goede werking van de opslag uitsluit.
Artikel 4
Wijzen waarop de historische archieven voor het publiek toegankelijk worden gemaakt
1. Alvorens toegang tot een opgeslagen stuk te verlenen, verzoekt het EUI het Hof van Justitie van de Europese Unie om toestemming. Dit verzoek wordt door het Hof van Justitie van de Europese Unie onderzocht, met name in het licht van de uitzonderingen in de artikelen 35 en 53 van het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en in artikel 7, lid 1, van bijlage I daarbij en in artikel 2 van Verordening (EEG, Euratom) nr. 354/83, zoals gewijzigd. De documenten kunnen per categorie toegankelijk worden gemaakt, mits het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft vastgesteld dat geen van deze uitzonderingen van toepassing is.
2. De verzoeken die betrekking hebben op documenten die onder een gerechtelijke procedure vallen, worden door de desbetreffende rechterlijke instantie onderzocht, die op de door die instantie vastgestelde wijze nagaat dat geen van de uitzonderingen in artikel 2 van Verordening (EEG, Euratom) nr. 354/83 eraan in de weg staat dat toegang wordt verleend. In geen geval worden documenten die onder het geheim van de raadkamer vallen, toegankelijk gemaakt.
3. Onverminderd de leden 1 en 2 van dit artikel, maakt het EUI de bij hem opgeslagen historische archieven van het Hof van Justitie van de Europese Unie voor het publiek toegankelijk in de vorm van kopieën, tenzij de gebruiker overeenkomstig artikel 1, lid 5, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 354/83 een naar behoren gemotiveerd bijzonder belang bij toegang tot het origineel doet gelden.
4. De wijzen van toegang tot de historische archieven die het Hof van Justitie van de Europese Unie aan het EUI overdraagt, worden vermeld op de website van elke van deze beide instellingen door middel van de presentatie van de catalogus en de toegangsvoorwaarden.
Gedaan te Luxemburg, 10 juni 2014.
De griffier
A. CALOT ESCOBAR
De president
V. SKOURIS
(1) PB L 43 van 15.2.1983, blz. 1.
(2) PB L 243 van 27.9.2003, blz. 1.
(3) PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/4 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 15 oktober 2015 — Europese Commissie/Bondsrepubliek Duitsland
(Zaak C-137/14) (1)
([Niet-nakoming - Richtlijn 2011/92/EU - Milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten - Artikel 11 - Richtlijn 2010/75/EU - Industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) - Artikel 25 - Toegang tot de rechter - Daarmee niet overeenstemmende nationale procedurele regeling])
(2015/C 406/03)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Hermes en G. Wilms, gemachtigden)
Verwerende partij: Bondsrepubliek Duitsland (vertegenwoordigers: T. Henze en J. Möller, gemachtigden)
Interveniënte aan de zijde van de verwerende partij: Republiek Oostenrijk (vertegenwoordiger: C. Pesendorfer, gemachtigde)
Dictum
1) |
De Bondsrepubliek Duitsland is de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, en artikel 25 van richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)
|
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
3) |
De Europese Commissie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Oostenrijk dragen hun eigen kosten. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/5 |
Arrest van het Hof (Vierde kamer) van 15 oktober 2015 — Europese Commissie/Helleense Republiek
(Zaak C-167/14) (1)
((Niet-nakoming - Richtlijn 91/271/EEG - Behandeling van stedelijk afvalwater - Arrest van het Hof waarbij een niet-nakoming is vastgesteld - Niet-uitvoering - Artikel 260, lid 2, VWEU - Financiële sancties - Forfaitaire som en dwangsom))
(2015/C 406/04)
Procestaal: Grieks
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: G. Zavvos en E. Manhaeve, gemachtigden)
Verwerende partij: Helleense Republiek (vertegenwoordiger: E. Skandalou, gemachtigde)
Dictum
1) |
Door niet alle maatregelen te hebben genomen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland (C-440/06, EU:C:2007:642) is de Helleense Republiek de krachtens artikel 260, lid 1, VWEU op haar rustende verplichtingen niet nagekomen. |
2) |
Indien de in punt 1 vastgestelde niet-nakoming nog steeds voortduurt op de dag van uitspraak van het onderhavige arrest, wordt de Helleense Republiek ertoe veroordeeld de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” een dwangsom te betalen van 3 6 40 000 EUR per half jaar vertraging bij het treffen van de maatregelen die noodzakelijk zijn ter uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland (C-440/06, EU:C:2007:642), vanaf de datum van uitspraak van het onderhavige arrest tot de volledige uitvoering van het arrest Commissie/Griekenland (C-440/06, EU:C:2007:642). Het daadwerkelijke bedrag van de dwangsom moet aan het einde van ieder tijdvak van zes maanden worden berekend door op het totale bedrag voor elk van deze tijdvakken een percentage in mindering te brengen dat overeenkomt met het aandeel van het aantal inwonerequivalenten van de agglomeraties waarvan de opvangsystemen voor de behandeling van stedelijk afvalwater aan het einde van de betrokken periode in overeenstemming zijn gebracht met het arrest Commissie/Griekenland (C-440/06, EU:C:2007:642), in verhouding tot het aantal inwonerequivalenten van de agglomeraties die op de dag van uitspraak van het onderhavige arrest niet over dergelijke systemen beschikken. |
3) |
De Helleense Republiek wordt ertoe veroordeeld de Europese Commissie op de rekening „Eigen middelen van de Europese Unie” een forfaitaire som van 10 miljoen EUR te betalen. |
4) |
De Helleense Republiek wordt verwezen in de kosten. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/6 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 15 oktober 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal Supremo — Spanje) — Grupo Itevelesa, S.L., Applus Iteuve Technology, Certio ITV, S.L. en Asistencia Técnica Industrial, S.A.E./Oca Inspección Técnica de Vehículos, S.A. en Generalidad de Cataluña
(Zaak C-168/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Artikelen 49 VWEU en 51 VWEU - Vrijheid van vestiging - Richtlijn 2006/123/EG - Werkingssfeer - Diensten op de interne markt - Richtlijn 2009/40/EG - Toegang tot het verrichtten van de technische controle van voertuigen - Controle door een particuliere organisatie - Werkzaamheden ter uitoefening van openbaar gezag - Vergunningstelsel - Dwingende redenen van algemeen belang - Verkeersveiligheid - Geografische spreiding - Minimale afstand tussen keuringsstations - Maximaal marktaandeel - Rechtvaardiging - Geschiktheid om het beoogde doel te bereiken - Samenhang - Evenredigheid))
(2015/C 406/05)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Tribunal Supremo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Grupo Itevelesa, S.L., Applus Iteuve Technology, Certio ITV, S.L. en Asistencia Técnica Industrial, S.A.E.
Verwerende partijen: Oca Inspección Técnica de Vehículos, S.A. en Generalidad de Cataluña
Dictum
1) |
Artikel 2, lid 2, onder d), van richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt moet aldus worden uitgelegd dat de technische controle van voertuigen is uitgesloten van de werkingssfeer van die richtlijn. |
2) |
Artikel 51, eerste alinea, VWEU moet aldus worden uitgelegd dat er bij de werkzaamheden van keuringsstations als bedoeld in de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling, geen sprake is van werkzaamheden ter uitoefening van het openbaar gezag in de zin van die bepaling, ook al zijn de eigenaren van keuringsstations bevoegd om een rijverbod op te leggen wanneer voertuigen bij de keuring veiligheidsgebreken vertonen die een onmiddellijk gevaar opleveren. |
3) |
Artikel 49 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling als in het hoofdgeding, waarbij een onderneming of groep ondernemingen slechts een vergunning voor een keuringsstation krijgt indien er tussen dat keuringsstation en de aan die onderneming of groep ondernemingen toebehorende keuringsstations waarvoor reeds een vergunning is verleend, een minimale afstand is en de onderneming of groep ondernemingen in het geval van vergunningverlening geen marktaandeel van meer dan 50 % heeft, tenzij wordt aangetoond, hetgeen ter beoordeling staat van de verwijzende rechter, dat die voorwaarden daadwerkelijk geschikt zijn om de beoogde consumentenbescherming en verkeersveiligheid mogelijk te maken en niet verder gaan dan daarvoor noodzakelijk is. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/7 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 oktober 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Laufen — Duitsland) — Strafzaak tegen Gavril Covaci
(Zaak C-216/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Justitiële samenwerking in strafzaken - Richtlijn 2010/64/EU - Recht op vertolking en vertaling in strafprocedures - Taal van de procedure - Strafbeschikking houdende veroordeling tot een boete - Mogelijkheid tot het instellen van verzet in een andere taal dan de taal van de procedure - Richtlijn 2012/13/EU - Recht op informatie in het kader van strafprocedures - Recht om informatie te ontvangen over de ingebrachte beschuldiging - Betekening van een strafbeschikking - Regeling - Verplichte aanwijzing van een gemachtigde door de verdachte - Termijn voor het instellen van verzet die loopt vanaf de betekening aan de gemachtigde))
(2015/C 406/06)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Amtsgericht Laufen
Partij in de strafzaak
Gavril Covaci
Dictum
1) |
De artikelen 1 tot en met 3 van richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, moeten in die zin worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, die, in het kader van een strafprocedure, degene jegens wie een strafbeschikking is gegeven niet toestaat om tegen deze beschikking schriftelijk verzet in te stellen in een andere taal dan de taal van de procedure, ofschoon deze persoon deze laatste taal niet beheerst, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten, overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze richtlijn, een dergelijk verzet, gelet op de betreffende procedure en de omstandigheden van het geval, niet beschouwen als een essentieel processtuk. |
2) |
De artikelen 2, 3, lid 1, onder c), en 6, leden 1 en 3, van richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures, moeten aldus worden uitgelegd dat zij niet in de weg staan aan een regeling van een lidstaat als aan de orde in het hoofdgeding, op grond waarvan, in het kader van een strafprocedure, een beklaagde die niet in deze lidstaat verblijft, een gemachtigde moet aanwijzen voor de betekening van een tot hem gerichte strafbeschikking, mits die beklaagde daadwerkelijk gebruik kan maken van de volledige termijn om tegen deze strafbeschikking verzet in te stellen. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/8 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 15 oktober 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kecskeméti Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság — Hongarije) — György Balázs/Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága
(Zaak C-251/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Harmonisatie van de wetgevingen - Kwaliteit van dieselbrandstoffen - Nationale technische specificatie waarbij hogere kwaliteitsvoorwaarden worden opgelegd dan in het recht van de Unie))
(2015/C 406/07)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Kecskeméti Közigazgatási és Munkaügyi Bíróság
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: György Balázs
Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-alföldi Regionális Vám- és Pénzügyőri Főigazgatósága
Dictum
1) |
De artikelen 4, lid 1, en 5 van richtlijn 98/70/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 1998 betreffende de kwaliteit van benzine en van dieselbrandstof en tot wijziging van richtlijn 93/12/EEG van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 1882/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 29 september 2003, moeten aldus worden uitgelegd dat zij er zich niet tegen verzetten dat een lidstaat in zijn nationaal recht, naast de in deze richtlijn opgenomen vereisten, extra kwaliteitsvoorwaarden vaststelt voor het in de handel brengen van dieselbrandstoffen, zoals die betreffende het in het hoofdgeding aan de orde zijnde vlampunt, aangezien dit geen technische specificatie voor dieselbrandstoffen betreft die betrekking heeft op de bescherming van de gezondheid en het milieu in de zin van deze richtlijn. |
2) |
Artikel 1, punten 6 en 11, van richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/96/EG van de Raad van 20 november 2006, moet aldus worden uitgelegd dat het er zich niet tegen verzet dat een lidstaat een nationale norm zoals de Hongaarse norm MSZ EN 590:2009 die in het hoofdgeding aan de orde is, bindend verklaart. |
3) |
Artikel 1, punt 6, van richtlijn 98/34, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/96, moet aldus worden uitgelegd dat het niet verlangt dat een norm in de zin van die bepaling beschikbaar wordt gesteld in de officiële taal van de betrokken lidstaat. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/9 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 15 oktober 2015 — Debonair Trading Internacional Lda/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
(Zaak C-270/14 P) (1)
([Hogere voorziening - Gemeenschapsmerk - Verordening nr. 40/94 - Artikel 8, lid 1, onder b) - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk SÔ:UNIC - Oudere gemeenschaps- en nationale woordmerken SO...?, SO...? ONE, SO...? CHIC - Relatieve weigeringsgronden - Verwarringsgevaar - Familie van merken])
(2015/C 406/08)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Debonair Trading Internacional Lda (vertegenwoordiger: T. Alkin, barrister)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) (vertegenwoordiger: V. Melgar, gemachtigde)
Dictum
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
2) |
Debonair Trading Internacional Lda wordt verwezen in de kosten. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/9 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 15 oktober 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Varhoven administrativen sad — Bulgarije) — Direktor na Agentsia „Mitnitsi”/Biovet AD
(Zaak C-306/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Richtlijn 92/83/EEG - Harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken - Artikel 27, lid 1, onder d) - Vrijstelling van de geharmoniseerde accijns - Ethylalcohol - Gebruik voor de reiniging en ontsmetting van materieel en werkruimtes voor de vervaardiging van geneesmiddelen])
(2015/C 406/09)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Varhoven administrativen sad
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Direktor na Agentsia „Mitnitsi”
Verwerende partij: Biovet AD
Dictum
Artikel 27, lid 1, onder d), van richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken, moet aldus worden uitgelegd dat de in deze bepaling opgenomen verplichting tot vrijstelling toepasselijk is op ethylalcohol die door een onderneming wordt gebruikt voor de reiniging of ontsmetting van materieel en werkruimtes voor de vervaardiging van geneesmiddelen.
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/10 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 15 oktober 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Helsingin hovioikeus — Finland) — Nike European Operations Netherlands BV/Sportland Oy, in liquidatie
(Zaak C-310/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Verordening (EG) nr. 1346/2000 - Artikelen 4 en 13 - Insolventieprocedure - Nadelige rechtshandelingen - Vordering tot teruggave van betalingen die zijn verricht vóór het tijdstip waarop de insolventieprocedure is geopend - Recht van de lidstaat waar de insolventieprocedure wordt geopend - Recht van een andere lidstaat dat de betrokken handeling beheerst - Recht dat „in het gegeven geval niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden” - Bewijslast])
(2015/C 406/10)
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Helsingin hovioikeus
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nike European Operations Netherlands BV
Verwerende partij: Sportland Oy, in liquidatie
Dictum
1) |
Artikel 13 van verordening (EG) nr. 1346/2000 van de Raad van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures moet aldus worden uitgelegd dat de toepassing ervan is onderworpen aan de voorwaarde dat de betrokken handeling niet kan worden bestreden op grond van het recht dat op deze handeling van toepassing is (lex causae), gelet op alle omstandigheden van het geval. |
2) |
Voor de toepassing van artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 en ingeval degene die verweer voert tegen een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling, een bepaling van het recht dat op deze handeling van toepassing is (lex causae) aanvoert op grond waarvan deze handeling slechts kan worden bestreden onder de in deze bepaling vastgestelde omstandigheden, is het aan deze verweerder om aan te voeren dat van deze omstandigheden geen sprake is en hiervoor het bewijs te leveren. |
3) |
Artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 moet aldus worden uitgelegd dat met de bewoordingen „niet voorziet in de mogelijkheid om die handeling te bestrijden”, naast de geldende insolventiebepalingen van het recht dat op deze handeling van toepassing is (lex causae), ook alle bepalingen en algemene beginselen van dit recht worden bedoeld. |
4) |
Artikel 13 van verordening nr. 1346/2000 moet aldus worden uitgelegd dat degene tegen wie een vordering tot nietigheid, vernietiging of niet-tegenwerpbaarheid van een handeling is ingesteld, moet aantonen dat deze handeling niet kan worden bestreden op basis van het recht dat op deze handeling van toepassing is (lex causae) in zijn geheel. De nationale rechterlijke instantie bij wie een dergelijke vordering is ingesteld, mag de bewijslast voor het bestaan van een bepaling of een beginsel van dit recht op grond waarvan de handeling kan worden bestreden alleen bij de verzoeker leggen, indien zij van oordeel is dat de verweerder in eerste instantie, gelet op de regels die normaliter van toepassing zijn in zijn nationale procesrecht, daadwerkelijk heeft aangetoond dat de betrokken handeling niet kan worden bestreden op grond van ditzelfde recht. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/11 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 15 oktober 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Juzgado de lo Social no 2 de Terrassa — Spanje) — Juan Miguel Iglesias Gutiérrez (C-352/14), Elisabet Rion Bea (C-353/14)/Bankia SA, Sección Sindical UGT, Sección Sindical CCOO, Sección Sindical ACCAM, Sección Sindical CSICA, Sección Sindical SATE, Fondo de Garantía Salarial
(Gevoegde zaken C-352/14 en C-353/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Artikelen 107 VWEU en 108 VWEU - Financiële crisis - Steun voor de financiële sector - Verenigbaarheid van steun met de interne markt - Besluit van de Europese Commissie - Financiële entiteit die een herstructurering doormaakt - Ontslag van een werknemer - Nationale regeling betreffende het bedrag van de ontslagvergoedingen))
(2015/C 406/11)
Procestaal: Spaans
Verwijzende rechter
Juzgado de lo Social no 2 de Terrassa
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Juan Miguel Iglesias Gutiérrez (C-352/14), Elisabet Rion Bea (C-353/14)
Verwerende partijen: Bankia SA, Sección Sindical UGT, Sección Sindical CCOO, Sección Sindical ACCAM, Sección Sindical CSICA, Sección Sindical SATE, Fondo de Garantía Salarial
Dictum
Besluit C(2012) 8764 final van de Commissie van 28 november 2012 betreffende door de Spaanse autoriteiten verleende steun voor de herstructurering en de herkapitalisatie van de BFA-groep alsmede de artikelen 107 VWEU en 108 VWEU, waarop dat besluit steunt, verzetten zich niet ertegen dat in een geding betreffende een collectief ontslag dat binnen de werkingssfeer van dat besluit valt, toepassing wordt gemaakt van een nationale regeling die het bedrag van de aan een werknemer in geval van kennelijk onredelijk ontslag verschuldigde vergoedingen vaststelt op een som boven het wettelijke minimum.
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/12 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 15 oktober 2015 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunal de première instance te Brussel — België) — Europese Unie/Axa Belgium SA
(Zaak C-494/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Ambtenaren - Ambtenarenstatuut - Artikelen 73, 78 en 85bis - Verkeersongeval - Nationaal recht waarbij een regeling van objectieve aansprakelijkheid is ingevoerd - Subrogatie van de Europese Unie - Begrip „aansprakelijke derde” - Autonoom begrip van Unierecht - Begrip dat betrekking heeft op elke persoon die krachtens nationaal recht verplicht is om de door het slachtoffer of diens rechtverkrijgenden geleden schade te vergoeden - Uitkeringen die niet definitief voor rekening van de Unie komen))
(2015/C 406/12)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Tribunal de première instance te Brussel
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Europese Unie
Verwerende partij: Axa Belgium SA
Dictum
1) |
Het begrip „aansprakelijke derde” in artikel 85bis, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat is vastgesteld bij verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn, zoals gewijzigd bij verordening (EG, EGKS, Euratom) nr. 781/98 van de Raad van 7 april 1998, moet binnen de rechtsorde van de Unie autonoom en uniform worden uitgelegd. |
2) |
Het begrip „aansprakelijke derde” in artikel 85bis, lid 1, van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat is vastgesteld bij verordening nr. 259/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 781/98, ziet op elke persoon, met inbegrip van de verzekeraar, die naar nationaal recht verplicht is om de door het slachtoffer of diens rechtverkrijgenden geleden schade te vergoeden. |
3) |
Het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, dat is vastgesteld bij verordening nr. 259/68, zoals gewijzigd bij verordening nr. 781/98, kan niet aldus worden uitgelegd dat, in het kader van een rechtstreekse vordering krachtens artikel 85bis, lid 4, van dat Statuut, de uitkeringen die de Unie verplicht is te betalen uit hoofde van, enerzijds, artikel 73 van dat Statuut, dat beoogt de risico’s van ziekte en ongevallen te dekken, en, anderzijds, artikel 78, van datzelfde Statuut, dat betrekking heeft op de betaling van een invaliditeitspensioen, definitief voor haar rekening moeten blijven. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/13 |
Hogere voorziening ingesteld op 19 januari 2015 door Eugen Popp en Stefan M. Zech tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 6 november 2014 in zaak T-463/12, Eugen Popp en Stefan M. Zech/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-17/15 P)
(2015/C 406/13)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwiranten: Eugen Popp en Stefan M. Zech (vertegenwoordigers: A. Kockläuner en O. Nilgen, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen), Müller-Boré & Partner Patentanwälte
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Zesde kamer) heeft bij beschikking van 26 oktober 2015 de hogere voorziening afgewezen en rekwiranten verwezen in hun eigen kosten.
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/13 |
Hogere voorziening ingesteld op 23 juli 2015 door Vichy Catalán, S.A. tegen de beschikking van het Gerecht (Derde kamer) van 25 juni 2015 in zaak T-302/15, Vichy Catalán/BHIM — Hijos de Rivera (Fuente Estrella)
(Zaak C-399/15 P)
(2015/C 406/14)
Procestaal: Spaans
Partijen
Rekwirante: Vichy Catalán, S.A. (vertegenwoordiger: R. Bercovitz Álvarez, abogado)
Andere partijen in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM) en Hijos de Rivera (Fuente Estrella)
Conclusies
— |
de bestreden beschikking vernietigen, door deze te vervangen door een beslissing waarbij rekwirantes vordering in zaak T-302/15 voor het Gerecht ontvankelijk wordt verklaard; |
— |
elke partij die optreedt om de bestreden beschikking te verdedigen, verwijzen in de kosten van de onderhavige hogere voorziening. |
Middelen en voornaamste argumenten
De beschikking van het Gerecht (Derde kamer), waarbij de ingestelde vordering niet-ontvankelijk werd verklaard, is onrechtmatig om de volgende redenen:
1. |
Schending van artikel 45 van het Statuut van het Hof van Justitie (geen verval van instantie wegens het verstrijken van een procestermijn wanneer toeval of overmacht wordt aangetoond) op twee punten:
|
2. |
Onjuiste uitlegging van artikel 43, lid 6, van het Reglement voor de procesvoering. |
3. |
Retroactieve toepassing, ten nadele van rekwirante, van nieuwe bepalingen van het op 1 juli 2015 in werking getreden Reglement voor de procesvoering op situaties waarop het vorige Reglement voor de procesvoering had moeten worden toegepast. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/14 |
Hogere voorziening ingesteld op 3 september 2015 door Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 24 juni 2015 in zaak T-527/13, Italië/Commissie
(Zaak C-467/15 P)
(2015/C 406/15)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: V. Di Bucci en P. Němečková, gemachtigden)
Andere partij in de procedure: Italiaanse Republiek
Conclusies
— |
vernietiging van het arrest van het Gerecht (Derde kamer) van 24 juni 2015, diezelfde dag betekend aan de Commissie, in zaak T-527/13, Italiaanse Republiek tegen Commissie; |
— |
verwerping van het beroep in eerste aanleg en verwijzing van de Italiaanse Republiek in de kosten van beide procedures. |
Middelen en voornaamste argumenten
1) |
Het Gerecht heeft het tweede middel in eerste aanleg op onregelmatige wijze heruitgelegd en geherkwalificeerd. Zo heeft het Gerecht het beschikkingsbeginsel geschonden, alsook het verbod om ambtshalve een middel aan te voeren betreffende de materiële wettigheid van het bestreden besluit, dat door de verzoekende partij niet tijdig was aangevoerd in de beroepsprocedure. |
2) |
Het Gerecht heeft artikel 108 VWEU en artikel 1 van verordening (EG) van de Raad nr. 659/1999 (1), betreffende de begrippen nieuwe en bestaande steun, geschonden. Het Gerecht heeft meer bepaald onjuist geoordeeld dat steun kan worden beschouwd als bestaande, ondanks de schending van een voorwaarde opgelegd door het besluit waarbij de steun verenigbaar werd verklaard. Zo heeft het Gerecht geen rekening gehouden met de vaste rechtspraak dat een loutere schending van dergelijke voorwaarden het bestaan van een nieuwe steunmaatregel meebrengt en dat een nieuw onverenigbaarheidsbesluit gerechtvaardigd is als er geen nieuwe feiten zijn die een andere beoordeling kunnen rechtvaardigen. Bovendien heeft het Gerecht de grieven betreffende een beweerd gebrek aan motivering terecht verworpen, en die beoordeling vervolgens tegengesproken, door de Commissie te verwijten dat zij niet heeft aangetoond dat de schending van de voorwaarde relevant was voor de essentie van de door de Raad goedgekeurde regeling, en op basis daarvan onterecht geoordeeld dat het besluit gedeeltelijk nietig moest worden verklaard wegens een onjuiste rechtsopvatting. Het Gerecht heeft niet afdoende rekening gehouden met het institutioneel evenwicht tussen de Raad en de Commissie krachtens artikel 108 VWEU. Wanneer de Raad eenparig beslist zijn bevoegdheid te gebruiken om een steunmaatregel wegens buitengewone omstandigheden verenigbaar te verklaren met de interne markt, maar die verklaring afhankelijk maakt van de naleving van bepaalde voorwaarden, komt het niet toe aan de Commissie om te bepalen of die voorwaarden daadwerkelijk essentieel zijn, dan wel of de schending ervan integendeel kan worden gedoogd. |
3) |
Het Gerecht heeft artikel 108 VWEU en de artikelen 4, 6, 7, 14 en 16 van verordening nr. 659/1999, betreffende de procedures die van toepassing zijn op nieuwe steun en misbruik van steun, geschonden. Het Gerecht heeft vastgesteld dat miskenning door een lidstaat van de voorwaarden opgelegd in het kader van de goedkeuring van een steunmaatregel, een vorm van misbruik van de toepassing van dergelijke steun is, en vervolgens geoordeeld dat de procedureregels betreffende het onderzoek van misbruik van steun niet relevant zijn omdat de Commissie haar besluit niet daarop heeft gebaseerd en omdat de begrippen nieuwe steun en misbruik van steun elkaar wederzijds uitsluiten. De bepalingen inzake misbruik, voor zover relevant voor onderhavige zaak, zijn nochtans dezelfde als die inzake nieuwe steun. Het Gerecht heeft dan ook blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het besluit gedeeltelijk nietig te verklaren wegens een onjuiste kwalificatie van de steun die zonder rechtsgevolgen is gebleven. |
(1) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83, blz. 1).
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/15 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Bezirksgericht Linz (Oostenrijk) op 7 september 2015 — Peter Schotthöfer & Florian Steiner GbR/Eugen Adelsmayr
(Zaak C-473/15)
(2015/C 406/16)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Bezirksgerichts Linz (Oostenrijk)
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Peter Schotthöfer & Florian Steiner GbR
Verwerende partij: Eugen Adelsmayr
Prejudiciële vragen
1) |
Moet het in artikel 18 VWEU neergelegde non-discriminatiebeginsel aldus worden uitgelegd dat, wanneer een lidstaat in zijn rechtsorde een bepaling als artikel 16, lid 2, van het Grundgesetz für die Bundesrepublik Deutschland (grondwet voor de Bondsrepubliek Duitsland) heeft opgenomen, die een verbod op de uitlevering van eigen onderdanen aan derde landen behelst, dat verbod ook dient te worden toegepast op onderdanen van andere lidstaten die zich op het grondgebied van de betreffende lidstaat bevinden? |
2) |
Moeten de artikelen 19, lid 2, en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie aldus worden uitgelegd dat een lidstaat van de Europese Unie een verzoek van een derde land om uitlevering van een Unieburger die zich op het grondgebied van de betreffende lidstaat bevindt, dient af te wijzen wanneer het aan dat verzoek ten grondslag liggende strafproces en verstekvonnis in het derde land niet voldeden aan de minimale volkenrechtelijke vereisten, de fundamentele beginselen van openbare orde van de Unie („ordre public”) en het beginsel van een eerlijk proces? |
3) |
Moet ten slotte het in artikel 50 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie neergelegde en door de rechtspraak van het Hof van Justitie beschermde „ne bis in idem”-beginsel aldus worden uitgelegd dat, wanneer iemand eerst wordt veroordeeld in een derde land en vervolgens een procedure in een lidstaat van de Europese Unie wordt beëindigd omdat er feitelijk geen reden bestaat om de vervolging voort te zetten, dit een beletsel vormt voor de verdere vervolging door het derde land? |
4) |
Indien een van de voorgaande vragen bevestigend wordt beantwoord, moet dan met name artikel 6 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie („recht op vrijheid”) aldus worden uitgelegd dat een Unieburger in geval van een verzoek van een derde land om uitlevering evenmin in uitleveringsdetentie mag worden geplaatst? |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/16 |
Hogere voorziening ingesteld op 9 september 2015 door Westermann Lernspielverlag GmbH tegen het arrest van het Gerecht (Tweede kamer) van 15 juli 2015 in zaak T-333/13, Westermann Lernspielverslag GmbH/Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
(Zaak C-482/15 P)
(2015/C 406/17)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Westermann Lernspielverlag GmbH (vertegenwoordigers: A. Nordemann en M. C. Maier, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen)
Conclusies
— |
vernietiging van het arrest van het Gerecht van 15 juli 2015 in zaak T-333/13, |
— |
terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor verder onderzoek, |
— |
verwijzing van verweerder in de kosten, |
Subsidiair, mocht het Hof tot het besluit komen dat het arrest van het Gerecht van 15 juli 2015 zonder voorwerp is geraakt, aangezien het merk van tegenpartij waarop de oppositie was gebaseerd met ingang van 13 juni 2013 in zijn geheel vervallen is verklaard, verzoeken wij het Hof om te:
— |
verklaren dat de onderhavige hogere voorziening zonder voorwerp is geraakt en dat er niet langer op behoeft te worden beslist. |
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige hogere voorziening is gebaseerd op de volgende gronden:
1. |
schending van het beginsel van de rechten van verdediging, in het bijzonder het recht om te worden gehoord, |
2. |
schending van het beginsel van het recht op een eerlijk proces, |
3. |
schending van artikel 69, onder c) en d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, |
4. |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 (1). |
Rekwirante meent dat het Gerecht haar grondrecht om te worden gehoord niet heeft geëerbiedigd, aangezien (1) de griffier van het Gerecht rekwirante op 3 juli 2015 heeft geïnformeerd dat met haar argument — waarbij het Gerecht ervan op de hoogte werd gebracht dat het merk waarop de oppositie was gebaseerd ex tunc niet langer bestaat — geen rekening kon worden gehouden en (2) het arrest van het Gerecht van 15 juli 2015 geen enkele melding maakte van het feit dat het merk van tegenpartij, waarop de oppositie hoofdzakelijk was gebaseerd, ten tijde van het arrest niet langer bestond.
Rekwirante meent dat het Gerecht haar grondrecht op een eerlijk proces heeft geschonden aangezien (1) het Gerecht rekwirantes verzoek om de behandeling te schorsen heeft afgewezen en bijgevolg is voorbijgegaan aan het feit dat de door rekwirante op 13 juni 2013 ingediende vordering tot vervallenverklaring en de door rekwirante op 5 januari 2015 ingediende vordering tot nietigverklaring op absolute gronden tegen het merk van tegenpartij legitieme verweermiddelen zijn, met een rechtstreekse impact op de uitkomst van de onderhavige procedure, en (2) het Gerecht heeft geweigerd om rekening te houden met rekwirantes opmerkingen van 12 juni 2015.
Rekwirante meent dat het Gerecht artikel 69, onder c) en d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft geschonden door rekwirantes beide verzoeken om de behandeling te schorsen, zonder enige uitleg af te wijzen, hoewel verweerder in beide gevallen geen bezwaren tegen een dergelijke schorsing had en rekwirante ernstige redenen had aangevoerd waarom een schorsing van de behandeling noodzakelijk leek.
Rekwirante meent dat het Gerecht artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009 heeft geschonden, omdat het blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en relevante feiten van de zaak onjuist heeft opgevat, aangezien de beoordeling van het verwarringsgevaar was gebaseerd op een merk dat op 22 mei 2015 met ingang van 13 juni 2013 vervallen was verklaard; dit is vóór rekwirante haar beroep bij het Gerecht op 17 juni 2013 heeft ingesteld, en vóór het Gerecht zijn arrest heeft geveld. Bijgevolg kon ten tijde van het arrest op 15 juli 2015 geen rekening worden gehouden met gemeenschapsbeeldmerk met een woordelement nr. 003915121 van tegenpartij, en konden op dit merk geen besluiten worden gebaseerd.
Ten slotte verzoekt rekwirante het Hof, mocht het tot het besluit komen dat het arrest van het Gerecht van 15 juli 2015 zonder voorwerp is geraakt, doordat het merk van tegenpartij waarop de oppositie was gebaseerd met ingang van 13 juni 2013 in zijn geheel vervallen is verklaard, om te verklaren dat de onderhavige hogere voorziening zonder voorwerp is geraakt en dat er niet langer op behoeft te worden beslist.
(1) Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het gemeenschapsmerk (PB L 78, blz. 1).
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/17 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door het Landgericht Berlin (Duitsland) op 17 september 2015 — CTL Logistics GmbH/DB Netz AG
(Zaak C-489/15)
(2015/C 406/18)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Berlin
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: CTL Logistics GmbH
Verwerende partij: DB Netz AG
Prejudiciële vragen
1) |
Moeten de Unierechtelijke bepalingen, met name artikel 30, lid 1, eerste volzin, lid 2, lid 3, lid 5, eerste alinea, en lid 6, van richtlijn 2001/14/EG (1), aldus worden uitgelegd dat rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur die in een kaderovereenkomst tussen een infrastructuurbeheerder en een aanvrager overeengekomen of vastgesteld zijn, uitsluitend kunnen worden teruggevorderd via de procedures die bij de nationale toezichthoudende instantie kunnen worden ingesteld en van de overeenkomstige gerechtelijke procedures waarin de betreffende besluiten van die instantie zijn gecontroleerd? |
2) |
Moeten de Unierechtelijke bepalingen, met name artikel 30, lid 1, eerste volzin, lid 2, lid 3, lid 5, eerste alinea, en lid 6, van richtlijn 2001/14/EG, aldus worden uitgelegd dat rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur die in een kaderovereenkomst tussen een infrastructuurbeheerder en een aanvrager overeengekomen of vastgesteld zijn, uitsluitend kunnen worden teruggevorderd indien het geschil over die rechten voorafgaandelijk is voorgelegd aan de nationale toezichthoudende instantie? |
3) |
Is een civielrechtelijke toetsing van de billijkheid van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur op grond van een nationale civielrechtelijke norm die rechterlijke instanties de bevoegdheid verleent om te toetsen of de eenzijdig door een partij vastgestelde prestatie billijk is, en om in voorkomend geval zelf de prestatie naar billijkheid vast te stellen, verenigbaar met de voorschriften van het Unierecht die de infrastructuurbeheerder ertoe verplichten te voldoen aan algemene vereisten voor de vaststelling van die rechten, zoals het vereiste van kostendekking (artikel 6, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG) en criteria inzake de draagkracht van de markt (artikel 8, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG)? |
4) |
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord, moet de civiele rechter bij de uitoefening van zijn discretionaire bevoegdheid criteria van richtlijn 2001/14/EG over de vaststelling van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur in acht nemen, en, zo ja, welke? |
5) |
Is de civielrechtelijke toetsing van de billijkheid van rechten op grond van de in de derde vraag vermelde norm verenigbaar met het Unierecht voor zover de civiele rechterlijke instanties bij de vaststelling van het bedrag van deze rechten afwijken van de algemene beginselen die de beheerder van de spoorweginfrastructuur ten aanzien van die rechten toepast, en van de bedragen die hij ter zake hanteert, hoewel die beheerder krachtens het Unierecht verplicht is om alle toegangsgerechtigden zonder enige vorm van discriminatie gelijk te behandelen (artikel 4, lid 5, van richtlijn 2001/14/EG)? |
6) |
Is de civielrechtelijke toetsing van de billijkheid van rechten die een infrastructuurbeheerder in rekening brengt, verenigbaar met het Unierecht, voor zover dit recht ervan uitgaat dat de toezichthoudende instantie bevoegd is voor de beslechting van geschillen tussen die beheerder en de toegangsgerechtigden over de rechten voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur of over de hoogte of de structuur van de gebruiksrechten die de toegangsgerechtigde moet of zou moeten betalen (artikel 30, lid 5, derde alinea, van richtlijn 2001/14/EG), en voor zover die instantie de uniforme toepassing van het spoorwegrecht niet meer zou kunnen waarborgen doordat het aantal geschillen dat bij verschillende civiele rechterlijke instanties aanhangig wordt gemaakt, hoog zou kunnen oplopen (artikel 30, lid 3, van richtlijn 2001/14/EG)? |
7) |
Is het met het Unierecht, met name met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2001/14/EG, verenigbaar dat alle rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur die de beheerders van die infrastructuur in rekening brengen, krachtens nationale bepalingen uitsluitend mogen worden berekend op basis van de directe kosten? |
(1) Richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering (PB L 75, blz. 29).
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/19 |
Hogere voorziening ingesteld op 18 september 2015 door Ori Martin SA tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 15 juli 2015 in de gevoegde zaken T-389/10 en T-419/10
(Zaak C-490/15 P)
(2015/C 406/19)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Ori Martin SA (vertegenwoordigers: G. Belotti, P. Ziotti, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
1) |
Primair: vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie voor zover dit daarbij haar beroep in zaak T-419/10 heeft verworpen voor zover betrekking hebbend op haar verzoek om nietigverklaring van het litigieuze besluit omdat rekwirantes hoofdelijke aansprakelijkheid op onrechtmatige wijze was uitgebreid tot feiten die door haar dochteronderneming SLM zijn gepleegd; vernietiging van het arrest wegens schending van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten of, subsidiair, toekenning van passende genoegdoening aan verzoekster. |
2) |
Subsidiair: herziening van het bestreden arrest, met definitieve afdoening van de zaak, en verlaging van de opgelegde geldboete in de uitoefening van de volledige rechtsmacht, rekening houdend met (i) de feitelijke vaststellingen in eerste aanleg, (ii) de boeterichtsnoeren die ten tijde van de vermeende feiten van kracht waren, (iii) de in de tijd beperkte deelname aan het kartel, die wat SLM/ORI betreft niet eerder kan zijn aangevangen dan eind 1999, de enige datum waarvoor in het dossier voldoende samenhangende aanwijzingen zijn te vinden om die te kunnen onderbouwen. In elk geval: verwijzing van de Europese Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
ORI voert in wezen vier middelen aan, die moeten aantonen dat het Gerecht:
a) |
de aan rekwirante opgelegde geldboete opnieuw heeft vastgesteld op een wijze die onevenredig is en niet in overeenstemming met de feitelijke vaststellingen, waardoor het Gerecht artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten en vaste beginselen van het Unierecht op het punt van de evenredigheid van de geldboete in kartelzaken en de motiveringsplicht heeft geschonden; |
b) |
het Unierecht heeft geschonden op het punt van het beginsel van persoonlijke aansprakelijkheid, waarop het mededingingsrecht van de Unie is gestoeld, door de hoofdelijke aansprakelijkheid onterecht uit te breiden tot rekwirante, die geheel buiten de vermeende feiten staat; |
c) |
het Unierecht heeft geschonden op het punt van het verbod van terugwerkende kracht van strafwetgeving die voor de betrokkene nadelig is, meer bepaald artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten; |
d) |
zijn rechterlijk toezicht niet volledig heeft uitgeoefend, waardoor de feitelijke vaststellingen kennelijk onjuist zijn behandeld en de motivering gebreken vertoont; |
e) |
artikel 47 van het Handvest van de grondrechten heeft geschonden omdat het de zaak niet binnen een redelijke termijn heeft onderzocht. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/20 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Corte suprema di cassazione (Italië) op 21 september 2015 — Agenzia delle Entrate/Marco Identi
(Zaak C-493/15)
(2015/C 406/20)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Corte suprema di cassazione
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Agenzia delle Entrate
Verwerende partij: Marco Identi
Prejudiciële vraag
Moeten artikel 4, lid 3, VEU en de artikelen 2 en 22 van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) (1) betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting, aldus worden uitgelegd dat zij in de weg staan aan een nationale regeling op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde die bepaalt dat btw-schulden van personen die zijn toegelaten tot de kwijtscheldingsprocedure van de artikelen 142 en 143 Legge fallimentare tenietgaan?
(1) Zesde Richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/20 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Tribunale di Frosinone (Italië) op 23 september 2015 — Strafzaak tegen Antonio Paolo Conti
(Zaak C-504/15)
(2015/C 406/21)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Tribunale di Frosinone
Partij in de strafzaak
Antonio Paolo Conti
Prejudiciële vraag
Moeten de artikelen 49 e.v. VWEU en 56 e.v. VWEU, mede zoals aangevuld in het licht van de beginselen in het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2012, gevoegde zaken C-72/10 en C-77/10, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen een nationale bepaling die verplicht tot levering om niet van het gebruik van de in eigendom toebehorende materiële en immateriële goederen die het beheer- en inzamelnetwerk ten behoeve van spelen vormen bij beëindiging van de activiteit als gevolg van verstrijken van de looptijd van de concessie of als gevolg van intrekking of verval van de concessie?
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/21 |
Hogere voorziening ingesteld op 23 september 2015 door Siderurgica Latina Martin SpA (SLM) tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 15 juli 2015 in de gevoegde zaken T-389/10 en T-419/10
(Zaak C-505/15 P)
(2015/C 406/22)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Siderurgica Latina Martin SpA (SLM) (vertegenwoordigers: G. Belotti, P. Ziotti, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
— |
verlaging van de direct en hoofdelijk aan SLM opgelegde geldboete, hoofdzakelijk rekening houdend met (i) de feitelijke vaststellingen in eerste aanleg; (ii) de boeterichtsnoeren die ten tijde van de vermeende feiten van kracht waren, en (iii) de in de tijd ondergeschikte en beperkte deelname van rekwirante aan het kartel, die wat SLM betreft niet eerder kan zijn aangevangen dan eind 1999, de enige datum waarvoor in het dossier voldoende samenhangende aanwijzingen zijn te vinden om die te kunnen onderbouwen; |
— |
toekenning van redelijke compensatie voor de administratieve vertragingen waarvan tijdens de behandeling van haar clementieverzoek door de Commissie is gebleken, welke kwestie het Gerecht in het geheel niet heeft behandeld; |
— |
toekenning van clementie aan rekwirante omdat zij de feiten snel heeft toegegeven; |
— |
toekenning van redelijke compensatie voor de procedurele vertragingen; |
— |
in elk geval: verwijzing van de Europese Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
SLM voert in wezen vier middelen aan, die moeten aantonen dat het Gerecht:
— |
de geldboete voor rekwirante op toereikende wijze en niet in overeenstemming met de feitelijke vaststellingen opnieuw heeft vastgesteld, waardoor het Gerecht artikel 49, lid 3, van het Handvest van de grondrechten en vaste beginselen van het Unierecht op het punt van de evenredigheid van de geldboete in kartelzaken en de motiveringsplicht heeft geschonden; |
— |
niet de ten tijde van de feiten geldende boeterichtsnoeren heeft toegepast, waardoor het Gerecht het Unierecht heeft geschonden op het punt van het verbod van terugwerkende kracht van strafwetgeving die voor de betrokkene nadelig is, meer bepaald artikel 49, lid 1, van het Handvest van de grondrechten; |
— |
zijn rechterlijk toezicht niet volledig heeft uitgeoefend, en daarmee ook artikel 48 van het Handvest van de grondrechten heeft geschonden, waardoor de feitelijke vaststellingen die onderling niet overeenstemden, kennelijk onjuist zijn behandeld, het Gerecht blijk heeft gegeven van partijdigheid en de motivering gebreken vertoont; |
— |
heeft verzuimd een standpunt in te nemen ten aanzien van het door haar gelaakte administratieve wanbeheer van de Commissie als gevolg van de vertragingen bij de behandeling van haar clementieverzoek, waarop de Commissie pas zes jaar na indiening ervan heeft geantwoord; |
— |
de bijzonderheden van het clementieverzoek van rekwirante niet heeft willen aanvaarden, bovenop de paradoxale en kennelijk onbillijke conclusie dat alleen de oprichters van een kartel in aanmerking kunnen komen voor een lagere sanctie wegens medewerking, aangezien zij over bewijsmateriaal met toegevoegde waarde beschikken dat andere ondernemingen met een ondergeschikte rol in het kartel niet kunnen hebben; |
— |
vijf jaar nodig heeft gehad om tot een arrest te komen, waardoor het Gerecht artikel 47 van het Handvest van de grondrechten heeft geschonden, dat waarborgt dat eenieder er recht op heeft dat zijn zaak binnen een redelijke termijn wordt behandeld. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/22 |
Hogere voorziening ingesteld op 24 september 2015 door Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV tegen het arrest van het Gerecht (Vierde kamer) van 15 juli 2015 in zaak T-47/10, Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals GmbH, Akzo Nobel Chemicals BV en Akcros Chemicals Ltd/Europese Commissie
(Zaak C-516/15 P)
(2015/C 406/23)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirantes: Akzo Nobel NV, Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV (vertegenwoordigers: C. Swaak en R. Wesseling, advocaten)
Andere partijen in de procedure: Europese Commissie en Akcros Chemicals Ltd
Conclusies
— |
Het arrest van het Gerecht van 15 juli 2015 in zaak T-47/10 vernietigen voor zover daarin wordt geoordeeld dat de geldboeten die aanvankelijk aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV waren opgelegd voor de deelneming van deze vennootschappen aan de inbreuken, na de nietigverklaring van deze geldboeten door het Gerecht, nog steeds aan Akzo Nobel NV kunnen worden toegerekend; |
— |
de beschikking van 2009, en inzonderheid artikel 1, lid 1, onder b), en lid 2, onder b), daarvan, nietig verklaren voor zover daarin wordt vastgesteld Akzo Nobel Chemicals GmbH en AkzoNobel Chemicals BV aan de inbreuken hebben deelgenomen; |
— |
de beschikking van 2009 nietig verklaren voor zover Akzo Nobel NV daarin aansprakelijk wordt gesteld en/of aan deze vennootschap een geldboete wordt opgelegd voor het onrechtmatige gedrag van Akzo Nobel Chemicals GmbH en AkzoNobel Chemicals BV, en inzonderheid artikel 1, lid 1, onder a), voor het tijdvak van de 24 februari 1987 tot 28 juni 1993, en artikel 1, lid 2, onder a), voor het tijdvak van 11 september 1991 tot 28 juni 1993, en/of artikel 2, leden 6 en 23, daarvan nietig verklaren; of subsidiair |
— |
het arrest van het Gerecht van 15 juli 2015 in zaak T-47/10 vernietigen en de zaak naar het Gerecht terugverwijzen voor afdoening ten gronde; en |
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van deze hogere voorziening. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun hogere voorziening voeren rekwirantes aan dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting bij de toepassing van de regels betreffende de aansprakelijk van moedervennootschappen, door tot de slotsom te komen dat aansprakelijkheid voor de geldboeten die aanvankelijk aan de dochterondernemingen waren opgelegd, maar door het Gerecht nietig waren verklaard, nog steeds aan Akzo Nobel NV kon worden toegerekend.
In een situatie als aan de orde in de onderhavige zaak, waarin de aansprakelijkheid van een moedermaatschappij slechts is afgeleid van die van haar dochterondernemingen, kan de aansprakelijkheid van die moedervennootschap niet verder gaan die welke uiteindelijk op haar dochterondernemingen rust. Bijgevolg had de nietigverklaring van de aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV opgelegde geldboeten tot nietigverklaring van de aan Akzo Nobel NV opgelegde geldboete moeten leiden.
Dit klemt te meer in een zaak als de onderhavige waarin de nietigverklaring van de aan Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV opgelegde geldboeten ook tot nietigverklaring van de gehele beschikking ten aanzien van deze twee juridische entiteiten had moeten leiden.
In 2011 werd de Commissie na het arrest van het Hof van Justitie in de zaak ArcelorMittal geconfronteerd met het feit dat zijn bevoegdheid om aan Elementis en Ciba/BASF een geldboete op te leggen was verjaard. De Commissie besloot toen haar beschikking van 2009 volledig in te trekken voor zover deze tot een juridische entiteit van deze twee groepen van vennootschappen was gericht.
Indien de Commissie hetzelfde beleid had gevoerd met betrekking tot Akzo Nobel Chemicals GmbH en Akzo Nobel Chemicals BV, die in dezelfde situatie verkeerden, zou zij haar beschikking houdende vaststelling van deze entiteiten aan de inbreuk hadden deelgenomen, meteen hebben ingetrokken. Indien deze gelijke situaties gelijk waren behandeld, zou de vraag naar de toerekening van de aansprakelijkheid niet zijn gerezen, aangezien het helemaal niet nodig was Akzo Nobel NV aansprakelijk te stellen voor een geldboete en daarvoor ook geen rechtsgrondslag was.
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/23 |
Hogere voorziening ingesteld op 25 september 2015 door Trafilerie Meridionali SpA tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 15 juli 2015 in zaak T-422/10
(Zaak C-519/15 P)
(2015/C 406/24)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Trafilerie Meridionali SpA (vertegenwoordigers: P. Ferrari, G. M. T. Lamicela, avvocati)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
— |
vernietiging van het deel van het arrest waarin het middel is afgewezen dat de deelname aan Club Europa niet aan Trame kan worden toegerekend, (ook niet) voor de periode van 9 oktober 2000 tot 19 september 2002, alsook het deel betreffende de aan rekwirante opgelegde geldboete (punten 3 en 4 van het dictum), en bijgevolg toewijzing van de conclusies die reeds in eerste aanleg voor het Gerecht waren geformuleerd, daaronder begrepen die ten aanzien van de geldboete; subsidiair, vernietiging van de hierboven vermelde delen van het arrest en terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een beslissing op dit punt met inachtneming van de aanwijzingen van het Hof; |
— |
vernietiging van het deel van het arrest waarin het middel is afgewezen dat ook Trame in aanmerking moet komen voor een boeteverlaging wegens haar onvermogen om te betalen, zulks op grond van het beginsel van gelijke behandeling, alsook het deel betreffende de aan rekwirante opgelegde geldboete (punten 3 en 4 van het dictum), en bijgevolg toewijzing van de conclusies die reeds in eerste aanleg voor het Gerecht waren geformuleerd, daaronder begrepen die ten aanzien van de geldboete; subsidiair, vernietiging van de hierboven vermelde delen van het arrest en terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een beslissing op dit punt met inachtneming van de aanwijzingen van het Hof; |
— |
vernietiging van het deel van het arrest betreffende de berekening van de aan Trame opgelegde geldboete (punt 3 van het dictum), met afdoening van het geschil; subsidiair, vernietiging van genoemd deel van het arrest en terugverwijzing van de zaak naar het Gerecht voor een beslissing op dit punt met inachtneming van de aanwijzingen van het Hof; |
— |
vernietiging van het deel van het arrest waarin is bepaald dat Trame haar eigen kosten in verband met de hoofdzaak in eerste aanleg in zaak T-422/10 zal dragen (punt 5 van het dictum), verwijzing van de Commissie in die kosten, of zijn minst een deel van die kosten; |
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten van de onderhavige instantie; |
— |
verklaren dat het Gerecht zijn plicht niet is nagekomen om binnen een redelijke termijn te beslissen over het door rekwirante aan hem voorgelegde geschil in zaak T-422/10, overeenkomstig artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten; |
— |
vaststelling van elke maatregel die passend wordt geacht. |
Middelen en voornaamste argumenten
1. |
Eerste middel: toerekening van Club Europa aan Trame. Verdraaiing van het bewijs. Kennelijk onjuiste opvatting en beoordeling daarvan. Het Gerecht heeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven bij de afwijzing van het middel dat Club Europa niet aan Trame kon worden toegerekend, (ook niet) voor de periode van 9 oktober 2000 tot 19 september 2002, als gevolg van een verdraaiing van het bewijs, althans een kennelijk onjuiste opvatting en beoordeling daarvan. In het licht daarvan vertoont ook deel van het arrest betreffende de aan rekwirante opgelegde geldboete gebreken. |
2. |
Tweede middel: geen toekenning van een boeteverlaging aan Trame wegens haar onvermogen om te betalen. Motiveringsgebrek. Schending van de artikelen 36 en 53, lid 1, van het Statuut van het Hof van Justitie. Schending van artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Het Gerecht heeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven omdat het niet naar behoren heeft uitgelegd, ook niet impliciet, wat de redenen waren voor de afwijzing van het middel inzake schending van het beginsel van gelijke behandeling door de Commissie in het kader van de verlaging van de geldboeten wegens onvermogen om te betalen, waardoor rekwirante niet kan weten op welke gronden het arrest is gebaseerd en het Hof niet over voldoende gegevens beschikt om zijn toezicht uit te oefenen. Bovendien heeft het Gerecht geen rekening gehouden met gegevens die van doorslaggevend belang waren voor de beslissing op dit punt. In het licht daarvan vertoont ook deel van het arrest betreffende de aan rekwirante opgelegde geldboete gebreken. |
3. |
Derde middel: de door het Gerecht gevolgde methode voor de hernieuwde vaststelling van de geldboete. Motiveringsgebrek. Schending van de artikelen 36 en 53, lid 1, van het Statuut van het Hof van Justitie. Schending van artikel 117 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht. Het Gerecht heeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven omdat het niet naar behoren heeft uitgelegd welke methode het voor de berekening van de geldboete heeft gevolgd om de aan Trame op te leggen geldboete opnieuw vast te stellen, meer bepaald het „gewicht” dat het aan de verschillende in dat kader relevante feitelijke gegevens heeft toegekend. Door dit verzuim kan met name niet worden nagegaan of het Gerecht bij de berekening van de geldboete in overeenstemming met het beginsel van gelijke behandeling heeft gehandeld. |
4. |
Vierde middel: kosten van de procedure in eerste aanleg voor het Gerecht Indien een of meerdere van de middelen in onderdeel A. en B. van het verzoekschrift worden aanvaard, dient dit gevolgen te hebben voor de conclusie waartoe het Gerecht in de punten 411-412 van het arrest is gekomen, namelijk dat elke partij haar eigen kosten zal dragen. Bijgevolg moet het arrest ook nietig worden verklaard voor zover dit het deel betreft waarin is bepaald dat rekwirante haar eigen kosten in verband met de hoofdzaak in eerste aanleg in zaak T-422/10 zal dragen, en moet de Commissie in alle of op zijn minst in een deel van de kosten worden verwezen. |
5. |
Vijfde middel: recht op rechterlijke bescherming binnen een redelijke termijn. Schending van artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Trame betoogt dat het Gerecht zijn plicht niet is nagekomen om binnen een redelijke termijn te beslissen over het door rekwirante aan hem voorgelegde geschil in zaak T-422/10 en dus artikel 47, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie heeft geschonden. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/25 |
Beroep ingesteld op 29 september 2015 — Koninkrijk Spanje/Raad van de Europese Unie
(Zaak C-521/15)
(2015/C 406/25)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Koninkrijk Spanje (vertegenwoordiger: A. Rubio González, gemachtigde)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie
Conclusies
— |
Nietigverklaring van besluit (EU) 2015/1289 van de Raad van 13 juli 2015 tot het opleggen van een boete aan Spanje wegens de manipulatie van tekortgegevens in de autonome gemeenschap Valencia (1); |
— |
subsidiair, zodanige verlaging van de boete dat deze uitsluitend betrekking heeft op de tijdvakken na 13 december 2011, de datum van inwerkingtreding van verordening (EU) nr. 1173/2011 (2); |
— |
in elk geval verwijzing van de Raad in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Schending van artikel 8, lid 3, van verordening nr. 1173/2011 en van artikel 2, leden 1 en 3, van besluit 2012/678/EU (3) en strijdigheid met de rechten van de verdediging van het Koninkrijk Spanje. Vóór het aanleggen van een dossier was reeds sprake van een onderzoek zonder dat daarbij de procedure is gevolgd als bedoeld in besluit 2012/678. Op die manier is gebruikgemaakt van informatie die is verkregen tijdens bezoeken die niet voldeden aan de eisen van artikel 2, lid 3, van dat besluit, en is voorbijgegaan aan het recht van verdediging van Spanje.
Schending van het recht op behoorlijk bestuur wat de samenstelling van het onderzoeksteam betreft. Dat het gehele vooronderzoek door dezelfde personen is uitgevoerd, verdraagt zich niet met de objectieve onpartijdigheid. Bij dit team was sprake van een duidelijk risico op bevestigingsvooroordelen en wijsheden achteraf waar het ging om de beoordeling van de belangrijke en serieuze indicaties die vóór de start van het onderzoek zijn onderzocht. Het onderzoeksteam was zo samengesteld dat zijn onpartijdigheid objectief ter discussie stond.
Schending van artikel 8, lid 1, van verordening nr. 1173/2011, aangezien het niet zo is dat de lidstaat door ernstige nalatigheid of met opzet gegevens aangaande overheidstekort en overheidsschuld manipuleert of verkeerd voorstelt. In de eerste plaats is geen sprake van manipulatie of verkeerde voorstelling van statistieken, maar slechts van een duidelijk en adequaat toegelichte herziening van de op het overheidstekort en de overheidsschuld betrekking hebbende gegevens. In de tweede plaats zijn de gegevens waarop de vermeende manipulatie betrekking heeft, in geen geval van belang voor de toepassing van de bevoegdheid tot toezicht die de instellingen van de Unie krachtens de artikelen 121 VWEU en 126 VWEU hebben. Ten slotte kan de handelwijze van Spanje niet worden aangemerkt als ernstige nalatigheid, daar de Spaanse autoriteiten de vergissing hebben ontdekt, onverwijld de Commissie daarvan in kennis hebben gesteld en met de grootst mogelijke spoed en zorgvuldigheid hebben gehandeld.
Onevenredigheid van de sanctie in verhouding tot het bij de berekening van de hoogte van de sanctie te hanteren referentietijdvak. De periode waarop de boete betrekking heeft, ziet slechts op de gegevens die zijn opgenomen in de vanaf 2012 gedane kennisgevingen, waarbij het gaat om feiten van na 13 december 2011, de datum van inwerkingtreding van verordening nr. 1173/2011. Voor het referentiebedrag mag dus alleen worden uitgegaan van de gegevens die betrekking hebben op de in 2011 geboekte rekeningen.
(2) Verordening van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (PB L 306, blz. 1).
(3) Gedelegeerd besluit van de Commissie van 29 juni 2012 betreffende onderzoeken en boeten in verband met de manipulatie van statistieken als bedoeld in verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (PB L 306, blz. 21).
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/26 |
Hogere voorziening ingesteld op 28 september 2015 door de Europese Commissie tegen het arrest van het Gerecht (Zesde kamer) van 15 juli 2015 in de gevoegde zaken T-389/10 en T-419/10
(Zaak C-522/15 P)
(2015/C 406/26)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Rekwirante: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Rossi, V. Bottka, gemachtigden)
Andere partijen in de procedure: Siderurgica Latina Martin SpA (SLM), Ori Martin SA
Conclusies
(i) |
Vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij het basisbedrag van de aan SLM opgelegde geldboete is verlaagd op basis van de vaststelling dat in het litigieuze besluit geen rekening is gehouden met het feit dat SLM tijdens een deel van de inbreuk niet aan het buitenlandse aspect van club Italia had deelgenomen; |
(ii) |
Vernietiging van het bestreden arrest voor zover daarbij de aan SLM opgelegde geldboete is verlaagd naar 1,956 miljoen EUR en de hoofdelijk met Ori Martin aan SLM opgelegde geldboete nietig is verklaard; |
(iii) |
Herberekening van de op te leggen geldboete met gebruikmaking van de volledige rechtsmacht, overeenkomstig het verzoek van de Commissie; |
(iv) |
Verwijzing van verzoeksters in eerste aanleg in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
(i) |
Het Gerecht heeft de feiten onjuist opgevat toen het ten onrechte heeft geoordeeld dat het basisbedrag van de bij het litigieuze besluit aan SLM opgelegde geldboete 19,8 miljoen EUR bedroeg, in plaats van 15,965 miljoen EUR zoals vastgesteld in het tweede wijzigingsbesluit, waarvan 14 miljoen EUR hoofdelijk met Ori Martin. |
(ii) |
Het Gerecht heeft blijk van een onjuiste rechtsopvatting gegeven bij de toepassing van de regels inzake hoofdelijke aansprakelijkheid voor geldboeten en bij de berekening van het maximum van 10 %, in die zin dat het Gerecht het eindbedrag van de geldboete waarvoor SLM aansprakelijk is, heeft vastgesteld op 1,956 miljoen EUR, na toepassing van het wettelijke maximum van 10 % van de totale omzet van SLM in het referentiejaar als bedoeld in artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 (1). In de onderhavige zaak had moeten worden aangegeven dat SLM niet alleen op individuele titel aansprakelijk was voor de betaling van 1,956 miljoen EUR, maar ook voor nog eens 13,3 miljoen EUR, hoofdelijk met Ori Martin. De berekening van de maxima had immers afzonderlijk moeten worden berekend voor SLM op individuele titel, voor de periode waarin zij aan de inbreuk deelnam zonder dat zij onder de zeggenschap van Ori Martin stond (het maximum in vergelijking met de totale omzet van SLM), en voor SLM hoofdelijk met Ori Martin, voor de periode waarin de dochtermaatschappij onder de zeggenschap van de moedermaatschappij stond (het maximum in vergelijking met de totale omzet van Ori Martin, dat in de onderhavige zaak niet is bereikt). |
(1) Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB 2003, L 1, blz. 1).
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/27 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Verwaltungsgerichtshof (Oostenrijk) op 7 oktober 2015 — Gert Folk
(Zaak C-529/15)
(2015/C 406/27)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Verwaltungsgerichtshof
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Gert Folk
Verwerende partij: Unabhängiger Verwaltungssenat für die Steiermark
Prejudiciële vragen
1) |
Is richtlijn 2004/35/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 (PB L 102, blz. 15) en bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 (PB L 140, blz. 114) (milieuaansprakelijkheidsrichtlijn), ook van toepassing op schade die zich weliswaar ook nog heeft voorgedaan na de in artikel 19, lid 1, van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn genoemde datum, doch zijn oorsprong vindt in de exploitatie van een vóór die datum goedgekeurde en in bedrijf genomen installatie (waterkrachtinstallatie) en door een waterrechtelijke vergunning gedekt is? |
2) |
Verzet de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, en met name de artikelen 12 en 13 daarvan, zich tegen een nationale regeling die houders van visrechten verbiedt een beroepsprocedure als bedoeld in artikel 13 van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn in te leiden met betrekking tot een milieuschade in de zin van artikel 2, punt 1, onder b), van die richtlijn? |
3) |
Verzet de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, en met name artikel 2, punt 1, onder b), daarvan, zich tegen een nationale bepaling die een schade die een aanmerkelijke negatieve invloed heeft op de ecologische, chemische of kwantitatieve toestand of het ecologisch potentieel van de betrokken wateren, uitzondert van het begrip „milieuschade”, wanneer de schade door een vergunning op grond van een nationale wettelijke bepaling gedekt is? |
4) |
Indien de derde vraag bevestigend wordt beantwoord: |
Moet in de gevallen waarin bij een krachtens nationale bepalingen verleende vergunning niet is getoetst aan de criteria van artikel 4, lid 7, van richtlijn 2000/60/EG (respectievelijk de nationale bepalingen ter omzetting daarvan), bij het onderzoek van de vraag of er sprake is van een milieuschade in de zin van artikel 2, punt 1, onder b), van de milieuaansprakelijkheidsrichtlijn, artikel 4, lid 7, van richtlijn 2000/60/EG rechtstreeks worden toegepast, en worden onderzocht of de criteria van deze bepaling zijn vervuld?
(1) PB L 143, blz. 56, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/21/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 betreffende het beheer van afval van winningsindustrieën en houdende wijziging van richtlijn 2004/35/EG — Verklaring van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 102, blz. 15), en bij richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 140, blz. 114).
Gerecht
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/29 |
Arrest van het Gerecht van 22 oktober 2015 — Enosi Mastichoparagogon/BHIM — Gaba International (ELMA)
(Zaak T-309/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Gemeenschap - Woordmerk ELMA - Ouder gemeenschapswoordmerk ELMEX - Weigering van inschrijving - Verwarringsgevaar - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 406/28)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Enosi Mastichoparagogon Chiou (Chios, Griekenland) (vertegenwoordiger: A.-E. Malami, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: P. Geroulakos en J. Crespo Carrillo, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM, interveniënte voor het Gerecht: Gaba International Holding GmbH (Therwil, Zwitserland) (vertegenwoordigers: G. Schindler, M. Zintler en P. Nagel, advocaten)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 26 maart 2013 (zaak R 1539/2012-4) inzake een oppositieprocedure tussen Gaba International Holding GmbH en Enosi Mastichoparagogon Chiou
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Enosi Mastichoparagogon Chiou wordt verwezen in de kosten. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/29 |
Arrest van het Gerecht van 21 oktober 2015 — Petco Animal Supplies Stores/BHIM — Gutiérrez Ariza (PETCO)
(Zaak T-664/13) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Oppositieprocedure - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk PETCO - Ouder gemeenschapsbeeldmerk PETCO - Relatieve weigeringsgrond - Artikel 8, lid 1, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 - Opschorting van de administratieve procedure - Regel 20, lid 7, onder c), en regel 50, lid 1, van verordening (EG) nr. 2868/95 - Middel dat conclusies niet onderbouwt - Verbod om ultra petita te beslissen - Niet-ontvankelijkheid”])
(2015/C 406/29)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Petco Animal Supplies Stores, Inc. (San Diego, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: C. Aikens, barrister)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordigers: V. Melgar en Ó. Mondéjar Ortuño, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het BHIM: Domingo Gutiérrez Ariza (Malaga, Spanje)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 7 oktober 2013 (zaak R 347/2013-4) inzake een oppositieprocedure tussen Domingo Gutiérrez Ariza en Petco Animal Supplies Stores, Inc.
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Petco Animal Supplies Stores, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/30 |
Arrest van het Gerecht van 22 oktober 2015 — Hewlett Packard Development Company/BHIM (ELITEPAD)
(Zaak T-470/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk ELITEPAD - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 406/30)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Hewlett Packard Development Company LP (Houston, Texas, Verenigde-Staten) (vertegenwoordigers: T. Raab en H. Lauf, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: O. Mondéjar Ortuño, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 27 maart 2014 (zaak R 884/2013-2) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken ELITEPAD als gemeenschapsmerk
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Hewlett Packard Development Company LP wordt verwezen in de kosten. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/31 |
Arrest van het Gerecht van 22 oktober 2015 — Hewlett Packard Development Company/BHIM (ELITEDISPLAY)
(Zaak T-563/14) (1)
([„Gemeenschapsmerk - Aanvraag voor gemeenschapswoordmerk ELITEDISPLAY - Absolute weigeringsgrond - Beschrijvend karakter - Artikel 7, lid 1, onder c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2015/C 406/31)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Hewlett Packard Development Company LP (Houston, Texas, Verenigde-Staten) (vertegenwoordigers: T. Raab en H. Lauf, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (vertegenwoordiger: O. Mondéjar Ortuño, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 19 mei 2014 (zaak R 1539/2013-2) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken ELITEDISPLAY als gemeenschapsmerk
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Hewlett Packard Development Company LP wordt verwezen in de kosten. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/31 |
Beroep ingesteld op 13 mei 2015 — Vince/BHIM (ELECTRIC HIGHWAY)
(Zaak T-315/15)
(2015/C 406/32)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Dale Vince (Gloucestershire, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordiger: B. Longstaff, barrister)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „ELECTRIC HIGHWAY” — inschrijvingsaanvraag nr. 010655819
Bestreden beslissing: beslissing van de vijfde kamer van beroep van het BHIM van 3 maart 2015 in zaak R 1442/2014-5
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
inschrijving van verzoeksters merkaanvraag toestaan; |
— |
verwijzing van het BHIM in zijn eigen kosten en in die van verzoekster. |
Aangevoerde middelen
— |
onjuiste uitlegging van de betekenis van het merk met betrekking tot artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009; |
— |
onjuiste uitlegging van de relevante diensten van klasse 39; |
— |
de betekenis van het merk zoals vastgesteld door de kamer van beroep beschrijft hoe dan ook niet de diensten; |
— |
onjuiste toepassing van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/32 |
Beroep ingesteld op 11 september 2015 — Huhtamaki en Huhtamaki Flexible Packaging Germany/Commissie
(Zaak T-530/15)
(2015/C 406/33)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Huhtamaki Oyj (Espoo, Finland) en Huhtamaki Flexible Packaging Germany GmbH & Co.KG (Ronsberg, Duitsland) (vertegenwoordigers: H. Meyer-Lindemann, C. Graf York von Wartenburg en L. Titze, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
nietigverklaring van artikel 1, lid 2, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover het vaststelt dat Huhtamaki Oyj een inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU door tijdens de in artikel 1, lid 2, onder d), van het besluit van de Commissie vermelde periode, deel te hebben genomen aan één enkele voortgezette inbreuk, bestaande uit verschillende inbreuken, in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Spanje, vanaf het begin van de inbreuk, en dat van Portugal, vanaf 8 juni 2000; en |
— |
nietigverklaring van artikel 1, lid 3, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover het vaststelt dat Huhtamaki Oyj een inbreuk heeft gemaakt op de artikelen 101 VWEU en 53 EER-Overeenkomst door tijdens de in artikel 1, lid 3, onder c), van het besluit van de Commissie vermelde periode, deel te hebben genomen aan één enkele voortgezette inbreuk, bestaande uit verschillende inbreuken, in de sector van de piepschuim en vaste schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van België, Denemarken, Finland, Duistland, Luxemburg, Nederland, Noorwegen en Zweden; en |
— |
nietigverklaring van artikel 1, lid 5, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover het vaststelt dat Huhtamaki Oyj een inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU door tijdens de in artikel 1, lid 5, onder d), van het besluit van de Commissie vermelde periode, deel te hebben genomen aan één enkele voortgezette inbreuk, bestaande uit verschillende inbreuken, in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Frankrijk; en |
— |
nietigverklaring van artikel 2, lid 3, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover daarbij een boete van 1 0 8 06 000 EUR wordt opgelegd aan de verzoekende partijen; en |
— |
nietigverklaring van artikel 2, lid 5, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover daarbij een boete van 4 7 56 000 EUR wordt opgelegd aan Huhtamaki Oyj; en |
— |
subsidiair, aanzienlijke vermindering van de aan de verzoekende partijen opgelegde boetes; en |
— |
hoe dan ook, verwijzing van de Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters vier middelen aan.
1. |
Eerste middel: schending door de Commissie van de artikelen 101 VWEU en 53 EER-Overeenkomst doordat zij het recht kennelijk onjuist heeft toegepast en feitelijke fouten heeft gemaakt, en schending van haar motiveringsplicht, door vast te stellen dat de verzoekende partijen activiteiten hebben verricht inzake piepschuim en vaste schaaltjes in „Noordwest-Europa” in de periode van 13 juni 2002 tot 20 juni 2006, die kunnen worden aangemerkt, als zij apart worden beschouwd, als afzonderlijke inbreuken op respectievelijk de artikelen 101, lid 1, VWEU en 53 EER-Overeenkomst. |
2. |
Tweede middel: schending door de Commissie van de artikelen 101 VWEU en 53 EER-Overeenkomst doordat zij een kennelijke beoordelingsfout heeft gemaakt, en schending van haar motiveringsplicht, door vast te stellen dat de verzoekende partijen hebben deelgenomen aan een één enkele voortgezette inbreuk betreffende piepschuim en vaste schaaltjes in „Noordwest-Europa” tijdens de periode van 13 juni 2002 tot 20 juni 2006. |
3. |
Derde middel: schending door de Commissie van de beginselen van evenredigheid en gelijke behandeling, miskenning van haar eigen richtsnoeren voor de berekening van geldboeten, en schending van haar motiveringsplicht, door bij de vaststelling van aan de verzoekende partijen op te leggen boete(n) geen rekening te houden met de individuele omstandigheden die een vermindering rechtvaardigden van de aan de verzoekende partijen opgelegde boeten. |
4. |
Vierde middel: schending van artikel 101 VWEU, van artikel 23, lid 2, van verordening (EG) nr. 1/2003 de Raad door Huhtamaki Oyj hoofdelijk aansprakelijk te stellen, in haar hoedanigheid van holdingvennootschap van de groep en dus als indirecte moedervennootschap, voor de beweerde deelname van haar voormalige indirecte dochtervennootschappen aan (i) één enkele voortgezette inbreuk in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Frankrijk van 3 september 2004 tot 24 november 2005, en (ii) één enkele voortgezette inbreuk in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Spanje en Portugal (samen „Zuidwest-Europa”) van7 december 2000 tot 18 januari 2005. Huhtamaki Oyj oefende geen beslissende invloed uit over Huhtamaki France SA of Huhtamaki Embalagens Portugal SA tijdens de relevante tijdvakken. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/34 |
Beroep ingesteld op 11 september 2015 — Coveris Rigid (Auneau) France/Commissie
(Zaak T-531/15)
(2015/C 406/34)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Coveris Rigid (Auneau) France (Auneau, Frankrijk) (vertegenwoordigers: H. Meyer-Lindemann, C. Graf York von Wartenburg en L. Titze, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
nietigverklaring van artikel 1, lid 5, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel, voor zover het vaststelt dat de verzoekende partij een inbreuk heeft gemaakt op artikel 101 VWEU door tijdens de in artikel 1, lid 5, onder d), van het besluit van de Commissie vermelde periode, deel te hebben genomen aan één enkele voortgezette inbreuk, bestaande uit verschillende inbreuken, in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Frankrijk; en |
— |
nietigverklaring van artikel 2, lid 5, van besluit C(2015) 4336 final van 24 juni 2015 van de Commissie in zaak AT.39563 — Verpakkingen van levensmiddelen voor de detailhandel voor zover daarbij een boete van 4 7 56 000 EUR wordt opgelegd aan de verzoekende partij; en |
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
1. |
Eerste middel: de Commissie heeft het beginsel van de persoonlijke aansprakelijkheid onjuist toegepast door Coveris aansprakelijk te stellen voor de beweerde deelname aan één enkele voortgezette inbreuk in de sector van de piepschuim schaaltjes voor de verpakking van levensmiddelen voor de detailhandel op het grondgebied van Frankrijk. De buitengewone omstandigheden van de zaak rechtvaardigden een holistische benadering van de twee delen van de ONO Packaging management buy-out of, subsidiair, de toepassing van het beginsel van de economische continuïteit op het deel van de transactie dat betrekking had op de activa. Op basis daarvan kon Coveris niet aansprakelijk worden gesteld voor de beweerde inbreuk. |
2. |
Tweede middel: de Commissie heeft het beginsel van de gelijke behandeling geschonden door een onderscheid te maken tussen het deel van de ONO Packaging management buy-out betreffende de activa en het deel van de ONO Packaging management-buy betreffende de aandelen, en aldus de aansprakelijkheid op te splitsen tussen rechtspersonen (in dit geval Coveris en ONO Packaging Portugal SA) die tot verschillende ondernemingen behoren, bij de bepaling van de aansprakelijkheid voor de beweerde inbreuken die door één en dezelfde onderneming zijn gepleegd, die intact is gebleven na de management buy-out. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/35 |
Beroep ingesteld op 19 september 2015 — Hongarije/Commissie
(Zaak T-542/15)
(2015/C 406/35)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Hongarije (vertegenwoordigers: D. Bonhage en F. Quast, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
nietigverklaring van beschikking C(2015) 4979 definitief van 14 juli 2015 tot gedeeltelijke schorsing van de tussentijdse betalingen door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds voor uitgaven in de programma’s Transport, Midden-Hongarije, Westelijk Pannonië, Zuidelijke Grote Vlakte, Midden-Transdanubië, Noord-Hongarije, Noordelijke Grote Vlakte en Zuidelijk Transdanubië — CCI 2007HU161PO007, CCI 2007HU161PO003, CCI 2007HU161PO004, CCI 2007HU161PO005, CCI 2007HU161PO006, CCI 2007HU161PO009, CCI 2007HU161PO011, CCI 2007HU161PO001; |
— |
verwijzing van de Europese Commissie in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoekster baseert haar beroep op twee middelen.
1. |
Eerste middel: onverenigbaarheid van beschikking C(2015) 4979 definitief tot schorsing van tussentijdse betalingen door het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling en het Cohesiefonds met verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad van 11 juli 2006 houdende algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds en het Cohesiefonds en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1260/1999 (PB L 210, blz. 25):
|
2. |
Tweede middel: schending van de rechten van verdediging:
|
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/36 |
Beroep ingesteld op 18 september 2015 — Lysoform Dr. Hans Rosemann e.a./ECHA
(Zaak T-543/15)
(2015/C 406/36)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partijen: Lysoform Dr. Hans Rosemann GmbH (Berlijn, Duitsland), Ecolab Deutschland GmbH (Monheim), Schülke & Mayr GmbH (Norderstedt), Diversey Europe Operations BV (Amsterdam, Nederland) (vertegenwoordigers: K. Van Maldegem en M. Grunchard, advocaten)
Verwerende partij: Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA)
Conclusies
— |
het beroep ontvankelijk en gegrond verklaren; |
— |
het besluit van het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA) betreffende de opname van de in Duitsland gevestigde onderneming Oxea als actieve leverancier van de stof in de lijst als bedoeld in artikel 95, lid 1, van verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden, nietig verklaren; |
— |
ECHA verwijzen in de proceskosten; en |
— |
in het licht van het aanhangige beroep bij de kamer van beroep van ECHA de behandeling van de zaak op grond van artikel 69, en in het bijzonder artikel 69, onder d), van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht schorsen totdat de kamer van beroep van ECHA heeft beslist over de ontvankelijkheid van het bij haar aanhangige beroep. |
Middelen en voornaamste argumenten
Verzoeksters voeren aan dat ECHA onrechtmatig heeft gehandeld door een onderneming ten aanzien van een bepaalde stof toe te laten tot de lijst als bedoeld in artikel 95 van verordening (EU) nr. 528/2012. De door hem in dit verband gemaakte fouten worden in de volgende drie middelen aan de orde gesteld:
1. |
Eerste middel, inhoudende dat ECHA de regels inzake het ingevolge artikel 95 van verordening (EU) nr. 528/2012 geldende vereiste dat bedrijven een volledig dossier indienen, onjuist heeft toegepast. |
2. |
Tweede middel, ontleend aan schending van het beginsel van non-discriminatie doordat ECHA bedrijven die zich in dezelfde situatie bevonden verschillend heeft behandeld. |
3. |
Derde middel, ontleend aan schending van de artikelen 62, 63 en 95 van verordening (EU) nr. 528/2012 doordat ECHA in strijd met de vereisten van deze verordening er niet voor heeft gezorgd dat er een gelijk speelveld is voor enerzijds de bedrijven die hebben deelgenomen aan het beoordelingsprogramma van de betrokken stof en anderzijds de bedrijven die hebben meegelift („free-riders”). |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/37 |
Beroep ingesteld op 29 september 2015 — Bimbo/BHIM — ISMS (BIMBO BEL SIMPLY MARKET)
(Zaak T-571/15)
(2015/C 406/37)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Bimbo, SA (Barcelona, Spanje) (vertegenwoordiger: J. Carbonell Callicó, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: International Supermarket Stores (ISMS) SA (Croix, Frankrijk)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met de woordelementen „BIMBO BEL SIMPLY MARKET” — inschrijvingsaanvraag nr. 1 0 3 35 321
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 17 juli 2015 in zaak R 1297/2014-4
Conclusies
— |
herziening van de beslissing van de kamer van beroep van 17 juli 2015 overeenkomstig artikel 65, lid 3, van verordening nr. 207/2009, in die zin dat gemeenschapsmerkaanvraag nr. 1 0 3 35 321 volledig wordt afgewezen; |
— |
subsidiair, indien eerstgenoemde vordering wordt afgewezen, vernietiging van de beslissing van de kamer van beroep van 17 juli 2015; |
— |
verwijzing van verwerende partijen in de kosten. |
Aangevoerd middel
— |
schending van de artikelen 8, lid 1, onder b), 8, lid 5, 42, leden 2 en 3, en 76, lid 2, van verordening nr. 207/2009. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/38 |
Beroep ingesteld op 28 september 2015 — Kozmetika Afrodita/BHIM — Núñez Martín en Machado Montesinos (KOZMETIKA AFRODITA)
(Zaak T-574/15)
(2015/C 406/38)
Taal van het verzoekschrift: Sloveens
Partijen
Verzoekende partij: Kozmetika Afrodita d.o.o. (Rogaška Slatina, Slovenië) (vertegenwoordiger: B. Grešak, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep: Pedro Nuñez Martín (Madrid, Spanje) en Carmen Guillermina Machado Montesinos (Madrid)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met de woordelementen „KOZMETIKA AFRODITA” — inschrijvingsaanvraag nr. 1 1 7 98 253
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 juli 2015 in zaak R 2577/2014-4
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het BHIM in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van regel 50, lid 2, onder h), van verordening nr. 2868/95. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/38 |
Beroep ingesteld op 28 september 2015 — Kozmetika Afrodita/BHIM — Núñez Martín en Machado Montesinos (AFRODITA COSMETICS)
(Zaak T-575/15)
(2015/C 406/39)
Taal van het verzoekschrift: Sloveens
Partijen
Verzoekende partij: Kozmetika Afrodita d.o.o. (Rogaška Slatina, Slovenië) (vertegenwoordiger: B. Grešak, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partijen in de procedure voor de kamer van beroep: Pedro Nuñez Martín (Madrid, Spanje) en Carmen Guillermina Machado Montesinos (Madrid)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met de woordelementen „AFRODITA COSMETICS” — inschrijvingsaanvraag nr. 1 1 7 98 287
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 28 juli 2015 in zaak R 2578/2014-4.
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het BHIM in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van regel 50, lid 2, onder h), van verordening nr. 2868/95. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/39 |
Beroep ingesteld op 1 oktober 2015 — Uribe-Etxebarría Jiménez/BHIM — Núcleo de comunicaciones y control (SHERPA)
(Zaak T-577/15)
(2015/C 406/40)
Taal van het verzoekschrift: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Xabier Uribe-Etxebarría Jiménez (Erandio, Spanje) (vertegenwoordiger: M. Esteve Sanz, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Núcleo de comunicaciones y control, SL (Tres Cantos (Madrid), Spanje)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Houder van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „SHERPA” — gemeenschapsmerk nr. 1 0 0 00 339
Procedure voor het BHIM: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 17 juli 2015 in zaak R 1135/2014-2
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het BHIM en, in voorkomend geval, interveniënte in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van de artikelen 63, lid 1, 64, lid 1, en 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 42, leden 2 en 3, van verordening nr. 207/2009, en van regel 22 van verordening nr. 2868/95; |
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder a) en b), van verordening nr. 207/2009. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/40 |
Beroep ingesteld op 7 oktober 2015 — POA/Commissie
(Zaak T-584/15)
(2015/C 406/41)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Pagkyprios organismos ageladotrofon Dimosia Ltd (POA) (Latsia, Cyprus) (vertegenwoordiger: N. Korogiannakis, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
het besluit van de Commissie waarbij zij vaststelt dat het door de autoriteiten van de Republiek Cyprus ingediende dossier CY/PDO/0005/01243 voldoet aan de voorwaarden gesteld in verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 343, blz. 1), zoals bepaald in artikel 50, lid 1 van deze verordening, en waarbij zij beslist over te gaan tot bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie met referentie 2015/C 246/12, nietig verklaren; |
— |
de Commissie verwijzen in de kosten van verzoekende partij. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij twee middelen aan.
1. |
Eerste middel: kennelijke fout van de Commissie bij de beoordeling of aanvraag CY/PDO/0005/01243 voldeed aan verordening (EU) nr. 1151/2012
|
2. |
Tweede middel: de Commissie heeft niet gecontroleerd of bij aanvraag CY/PDO/0005/01243 de procedure vastgesteld door verordening (EU) nr. 1151/2012 werd nageleefd.
|
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/41 |
Beroep ingesteld op 5 oktober 2015 — Monster Energy/BHIM (GREEN BEANS)
(Zaak T-585/15)
(2015/C 406/42)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Monster Energy Company (Corona, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: P. Brownlow, solicitor)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Betrokken merk: gemeenschapswoordmerk „GREEN BEANS” — inschrijvingsaanvraag nr. 1 1 4 10 801
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het BHIM van 22 juli 2015 in zaak R 3002/2014-2
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
terugverwijzing van de zaak van verzoekster naar de tweede kamer van beroep voor een beslissing ten gronde van verzoeksters aanvraag tot herstel met betrekking tot de beslissing van de eerste kamer van beroep van 2 december 2013 in zaak R-1530/2013-1; |
— |
verwijzing van het BHIM in zijn eigen kosten en in die van verzoekster. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van de artikelen 58, 65, lid 5, 75, 81, leden 1 en 4, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van regel 65 van verordening nr. 2868/95. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/42 |
Beroep ingesteld op 8 oktober 2015 — Nara tekstil sanayi ve ticaret/BHIM — NBC Fourth Realty (NaraMaxx)
(Zaak T-586/15)
(2015/C 406/43)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Nara Tekstil Sanayi Ve Ticaret Anonim Sirketi (Osmangazi-Bursa, Turkije) (vertegenwoordigers: M. López Camba, L. Monzón de la Flor, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (BHIM)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: NBC Fourth Realty Corp. (North Las Vegas, Verenigde Staten)
Gegevens betreffende de procedure voor het BHIM
Aanvrager van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: gemeenschapsbeeldmerk met de woordelementen NaraMaxx — inschrijvingsaanvraag nr. 1 1 1 42 461
Procedure voor het BHIM: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het BHIM van 27 juli 2015 in zaak R 1073/2014-4
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing voor zover daarbij de toewijzing van oppositie nr. B 2122938 wordt gehandhaafd; |
— |
verwijzing van het BHIM in de kosten opgekomen bij Nara Tekstil Sanayi Ve Ticaret Anonim Sirketi; |
— |
verwijzing van NBC Fourth Realty Corp. in de kosten opgekomen bij Nara Tekstil Sanayi Ve Ticaret Anonim Sirketi. |
Aangevoerd middel
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/42 |
Beroep ingesteld op 21 oktober 2015 — Stichting Accolade/Commissie
(Zaak T-598/15)
(2015/C 406/44)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Stichting Accolade (Drachten, Nederland) (vertegenwoordigers: H. de Boer en J. Abma, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
Verzoekende partij verzoekt het Gerecht:
— |
de beschikking van de Europese Commissie van 30 juni 2015 met als kenmerk C(2015) 4411 final, staatssteun SA.34676 (2015/NN) — Nederland (vermeende verkoop van grond onder de marktprijs door de gemeente Harlingen), te vernietigen; |
— |
de Commissie te veroordelen in de kosten van het geding. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekende partij zes middelen aan.
1. |
Eerste middel, ontleend aan het feit dat de Commissie de klacht van verzoekende partij ten onrechte heeft beperkt tot een klein deel van de totale grondtransactie tussen de gemeente Harlingen en Ludinga VG. |
2. |
Tweede middel, ontleend aan de niet-toepassing, dan wel onjuiste toepassing, van het criterium van de particuliere investeerder. De Commissie zou ten onrechte hebben gebruikgemaakt van een bandbreedte van 14-24 EUR om de transactie te beoordelen. |
3. |
Derde middel, ontleend aan het feit dat de gegevens en uitgangspunten die ten grondslag liggen aan de prijzen die de bandbreedte van de Commissie hebben gevormd, niet met elkaar te verenigen zijn. Zo zouden de referentietransacties niet vergelijkbaar zijn met de bestreden transactie. |
4. |
Vierde middel, ontleend aan een toetsing van de verkeerde prijs aan de bandbreedte. |
5. |
Vijfde middel, ontleend aan een kennelijk onjuiste beoordeling van de aangedragen feiten betreffende de indirecte voordelen. |
6. |
Zesde middel, ontleend aan een onjuiste conclusie van de Commissie betreffende de door verzoekende partij bestreden maatregel. |
Gerecht voor ambtenarenzaken
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/44 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Enkelvoudige kamer) van 27 oktober 2015 — Labiri/Comité van de Regio’s
(Zaak F-81/14) (1)
((Openbare dienst - Ambtenaren - Bevorderingsronde 2013 - Besluit om verzoekster niet te bevorderen - Artikel 45, lid 1, van het Statuut - Vergelijking van verdiensten))
(2015/C 406/45)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Vassilliki Labiri (Brussel, België) (vertegenwoordigers: aanvankelijk J.-N. Louis, D. de Abreu Caldas en R. Metz, advocaten, vervolgens J.-N. Louis, R. Metz, N. de Montigny, D. Verbeke en T. Van Lysebeth, advocaten)
Verwerende partij: Comité van de Regio’s van de Europese Unie (vertegenwoordigers: J. C. Cañoto Argüelles en S. Bachotet, gemachtigden, aanvankelijk bijgestaan door B. Cambier en G. Ladrière, advocaten, vervolgens door B. Cambier en T. Cambier, advocaten)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoekster in het kader van de bevorderingsronde 2013 van het Comité van de Regio’s (CdR) niet naar de volgende rang (AD 13) te bevorderen
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Labiri draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van het Comité van de Regio’s van de Europese Unie. |
(1) PB C 388 van 3.11.2014, blz. 32.
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/44 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Enkelvoudige kamer) van 29 oktober 2015 — Xenakis/Commissie
(Zaak F-52/15) (1)
((Openbare dienst - Ambtenaren - Ambtshalve pensionering - Pensioenleeftijd - Verzoek om verlenging van de dienst - Artikel 52, tweede alinea, van het Statuut - Weigering om de dienstperiode te verlengen - Dienstbelang))
(2015/C 406/46)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Yannis Xenakis (Sint-Pieters-Woluwe, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Blot, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: J. Currall en C. Ehrbar, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van het verzoek om verzoekers dienst te verlengen en, dientengevolge, tot bevestiging van zijn ambtshalve pensionering op 31 oktober 2014, en verzoek om vergoeding van de materiële schade die hij zou hebben geleden alsmede om betaling van het symbolisch bedrag van 1 EUR ter vergoeding van de gestelde immateriële schade
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Xenakis draagt zijn eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie. |
(1) PB C 190 van 8.6.2015, blz. 38.
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/45 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Enkelvoudige kamer) van 27 oktober 2015 — Ameryckx/Commissie
(Zaak F-140/14) (1)
((Openbare dienst - Arbeidscontractant - Functiegroep - Indeling - Exceptie van niet-ontvankelijkheid - Begrip bezwarend besluit - Bevestigend besluit - Nieuw en wezenlijk feit - Kennelijke niet-ontvankelijkheid))
(2015/C 406/47)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Marianella Ameryckx (Sint-Genesius-Rode, België) (vertegenwoordigers: S. Rodrigues en A. Tymen, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie houdende weigering om verzoeksters loopbaan te herstellen door haar vanaf 1 maart 2005 in te delen in een hogere functiegroep en verzoek om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij zou hebben geleden
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Ameryckx draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Europese Commissie. |
(1) PB C 65 van 23.2.2015, blz. 55.
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/46 |
Beroep ingesteld op 19 oktober 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-91/15)
(2015/C 406/48)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J.-N. Louis, N. de Montigny, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van de Commissie om toepassing te geven aan de in artikel 32 RAP voorziene clausule van het medisch voorbehoud, voor zover deze geen aanspraak geeft op een invaliditeitsuitkering, en vergoeding van de geleden immateriële schade
Conclusies van de verzoekende partij
— |
nietigverklaring van de besluiten van de Commissie van 16 september 2014 om toepassing te geven aan het in artikel 32 RAP voorziene medisch voorbehoud en verzoeker geen aanspraak te geven op de invaliditeitsuitkering; |
— |
veroordeling van de Commissie tot betaling van het bedrag van 50 000 EUR aan verzoeker ter vergoeding van de immateriële schade alsmede verwijzing van de Commissie in de kosten. |
7.12.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 406/46 |
Beroep ingesteld op 12 oktober 2015 — ZZ/Commissie
(Zaak F-132/15)
(2015/C 406/49)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: ZZ (vertegenwoordigers: J.-N. Louis en N. de Montigny, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Voorwerp en beschrijving van het geding
Nietigverklaring van het besluit van de Commissie om met terugwerkende kracht vanaf de datum van verzoeksters indiensttreding de in artikel 32 RAP voorziene clausule van het medisch voorbehoud toe te passen en de waarborgen op het gebied van invaliditeit of overlijden op te schorten alsmede van het besluit om haar voor een duur van zes jaar vanaf de datum van beëindiging van haar laatste overeenkomst niet opnieuw aan te werven
Conclusies van de verzoekende partij
— |
nietigverklaring van de besluiten van het TAOBG om, ten eerste, het medisch voorbehoud voorzien in artikel 32 RAP met terugwerkende kracht op verzoekster toe te passen en de waarborgen op het gebied van invaliditeit of overlijden op te schorten en, ten tweede, haar voor een duur van zes jaar uit te sluiten van aanwerving door de Commissie; |
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten. |