ISSN 1977-0995 |
||
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287 |
|
![]() |
||
Uitgave in de Nederlandse taal |
Mededelingen en bekendmakingen |
59e jaargang |
Nummer |
Inhoud |
Bladzijde |
|
IV Informatie |
|
|
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE |
|
|
Hof van Justitie van de Europese Unie |
|
2016/C 287/01 |
NL |
|
IV Informatie
INFORMATIE AFKOMSTIG VAN DE INSTELLINGEN, ORGANEN EN INSTANTIES VAN DE EUROPESE UNIE
Hof van Justitie van de Europese Unie
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/1 |
Laatste publicaties van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het Publicatieblad van de Europese Unie
(2016/C 287/01)
Laatste publicatie
Historisch overzicht van de vroegere publicaties
Deze teksten zijn beschikbaar in
EUR-Lex: http://eur-lex.europa.eu
V Bekendmakingen
GERECHTELIJKE PROCEDURES
Hof van Justitie
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/2 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 2 juni 2016 — Europese Commissie/Portugese Republiek
(Zaak C-205/14) (1)
((Niet-nakoming - Luchtvervoer - Verordening (EEG) nr. 95/93 - Toewijzing van slots op luchthavens in de Europese Unie - Artikel 4, lid 2 - Onafhankelijkheid van de coördinator - Begrip „belanghebbende partij” - Luchthavenbeheerder - Functionele scheiding - Financieringssysteem))
(2016/C 287/02)
Procestaal: Portugees
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: P. Guerra e Andrade en F. Wilman, gemachtigden)
Verwerende partij: Portugese Republiek (vertegenwoordigers: L. Inez Fernandes en V. Moura Ramos, gemachtigden)
Dictum
1) |
Door de onafhankelijkheid van de coördinator voor de toewijzing van slots niet te waarborgen door middel van een functionele scheiding ten aanzien van elke belanghebbende partij en door er niet voor te zorgen dat het systeem voor de financiering van de activiteiten van de coördinator zodanig is dat zijn onafhankelijke status wordt gewaarborgd, is de Portugese Republiek de verplichtingen niet nagekomen die op haar rusten krachtens artikel 4, lid 2, van verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van „slots” op communautaire luchthavens, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 545/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009. |
2) |
De Portugese Republiek wordt verwezen in de kosten. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/2 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 2 juni 2016 (verzoeken om een prejudiciële beslissing ingediend door het Finanzgericht Hamburg — Duitsland) — Eurogate Distribution GmbH/Hauptzollamt Hamburg-Stadt (C-226/14), DHL Hub Leipzig GmbH/Hauptzollamt Braunschweig (C-228/14)
(Gevoegde zaken C-226/14 en C-228/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Belasting over de toegevoegde waarde - Regeling douane-entrepot - Regeling extern douanevervoer - Ontstaan van een douaneschuld naar aanleiding van de niet-nakoming van een verplichting - Opeisbaarheid van de belasting over de toegevoegde waarde))
(2016/C 287/03)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Finanzgericht Hamburg
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Eurogate Distribution GmbH (C-226/14), DHL Hub Leipzig GmbH (C-228/14)
Verwerende partijen: Hauptzollamt Hamburg-Stadt (C-226/14), Hauptzollamt Braunschweig (C-228/14)
Dictum
1) |
Artikel 7, lid 3, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/66/EG van de Raad van 26 april 2004, moet in die zin worden uitgelegd dat over goederen die als niet-communautaire goederen zijn wederuitgevoerd, geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is wanneer deze goederen niet aan de in deze bepaling bedoelde douaneregelingen zijn onttrokken op het ogenblik van hun wederuitvoer, maar aan deze regelingen zijn onttrokken vanwege deze wederuitvoer, zelfs indien uitsluitend op grondslag van artikel 204 van verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 13 april 2005, een douaneschuld is ontstaan. |
2) |
Artikel 236, lid 1, van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening (EG) nr. 648/2005, gelezen in samenhang met het bepaalde van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, moet in die zin worden uitgelegd dat er in een situatie als die aan de orde in het hoofdgeding, aangezien geen belasting over de toegevoegde waarde verschuldigd is over goederen die als niet-communautaire goederen zijn wederuitgevoerd wanneer deze goederen niet zijn onttrokken aan de douaneregelingen van artikel 61 van deze richtlijn, zelfs niet indien uitsluitend op grond van artikel 204 van verordening nr. 2913/92, zoals gewijzigd bij verordening nr. 648/2005, een douaneschuld is ontstaan, geen enkele belastingplichtige voor de belasting over de toegevoegde waarde bestaat. Artikel 236 van deze verordening moet in die zin worden uitgelegd dat het geen toepassing kan vinden in situaties die betrekking hebben op de teruggave van de belasting over de toegevoegde waarde. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/3 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 2 juni 2016 — Europese Commissie/Koninkrijk der Nederlanden
(Zaak C-233/14) (1)
((Niet-nakoming - Artikelen 18, 20 en 21 VWEU - Burgerschap van de Unie - Recht van verkeer en verblijf - Discriminatie op grond van nationaliteit - Aan nationale studenten toegekende reisvoorziening - Richtlijn 2004/38/EG - Artikel 24, lid 2 - Afwijking van het beginsel van gelijke behandeling - Steun voor levensonderhoud voor studies in de vorm van een studiebeurs of -lening - Draagwijdte - Vormvereisten voor het inleidend verzoekschrift - Coherente uiteenzetting van de grieven))
(2016/C 287/04)
Procestaal: Nederlands
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: M. van Beek en C. Gheorghiu, gemachtigden)
Verwerende partij: Koninkrijk der Nederlanden (vertegenwoordigers: M. Bulterman en C. Schillemans, gemachtigden)
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
De Europese Commissie wordt verwezen in de kosten. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/4 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Högsta förvaltningsdomstol — Zweden) — Pensioenfonds Metaal en Techniek/Skatteverket
(Zaak C-252/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Vrij verkeer van kapitaal - Artikel 63 VWEU - Belasting van inkomsten van pensioenfondsen - Verschil in behandeling van ingezeten en niet-ingezeten pensioenfondsen - Forfaitaire belasting van ingezeten pensioenfondsen op basis van een fictief rendement - Bronbelasting over de inkomsten uit dividenden ontvangen door niet-ingezeten pensioenfondsen - Vergelijkbaarheid))
(2016/C 287/05)
Procestaal: Zweeds
Verwijzende rechter
Högsta förvaltningsdomstolen
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Pensioenfonds Metaal en Techniek
Verwerende partij: Skatteverket
Dictum
Artikel 63 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat:
— |
het zich niet verzet tegen een nationale wettelijke regeling op grond waarvan over door een ingezeten vennootschap uitgekeerde dividenden een bronbelasting wordt geheven wanneer die dividenden worden uitgekeerd aan een niet-ingezeten pensioenfonds, en een forfaitair bepaalde en over een fictief rendement berekende belasting die is bedoeld om mettertijd overeen te komen met de belasting van alle inkomsten uit kapitaal volgens het gemeenrechtelijke stelsel wanneer die dividenden worden uitgekeerd aan een ingezeten pensioenfonds; |
— |
het zich er evenwel tegen verzet dat begunstigde niet-ingezeten pensioenfondsen eventuele beroepskosten die rechtstreeks verband houden met de ontvangst van de dividenden niet in aanmerking kunnen nemen terwijl die kosten volgens de methode voor de berekening van de heffingsgrondslag van ingezeten pensioenfondsen wel in aanmerking worden genomen, waarbij het aan de verwijzende rechter staat dit na te gaan. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/5 |
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing, ingediend door de Аdministrativen sad — Pleven — Bulgarije) — „Polihim-SS” EOOD/Nachalnik na Mitnitsa Svishtov
(Zaak C-355/14) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Indirecte belastingen - Accijns - Richtlijn 2008/118/EG - Verschuldigdheid van de accijns - Artikel 7, lid 2 - Begrip „het aan een accijnsschorsingsregeling onttrekken van accijnsgoederen” - Heffing van belasting over energieproducten en elektriciteit - Richtlijn 2003/96/EG - Artikel 14, lid 1, onder a) - Gebruik van energieproducten voor de productie van elektriciteit - Koop en wederverkoop door een tussenkoper van energieproducten die zich in een belasting-entrepot bevinden - Rechtstreekse levering van de energieproducten aan een marktdeelnemer met het oog op de productie van elektriciteit - Vermelding van de tussenkoper als „geadresseerde” van de producten in de fiscale documenten - Schending van de naar nationaal recht geldende eisen voor vrijstelling van accijns - Weigering van vrijstelling - Bewijs van het gebruik van de producten onder de voorwaarden voor vrijstelling van accijns - Evenredigheid])
(2016/C 287/06)
Procestaal: Bulgaars
Verwijzende rechter
Аdministrativen sad — Pleven
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij:„Polihim-SS” EOOD
Verwerende partij: Nachalnik na Mitnitsa Svishtov
in tegenwoordigheid van: Okrazhna prokuratura Pleven
Dictum
1) |
Artikel 7, lid 2, van richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van richtlijn 92/12/EEG moet aldus worden uitgelegd dat de verkoop van een accijnsgoed dat een erkende entrepothouder in een belasting-entrepot voorhanden heeft, slechts de uitslag tot verbruik van dat goed meebrengt op het tijdstip waarop dat goed dit belasting-entrepot fysiek verlaat. |
2) |
Artikel 14, lid 1, onder a), van richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, gelezen in samenhang met artikel 7 van richtlijn 2008/118, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan een weigering door de nationale autoriteiten om vrijstelling van accijns te verlenen voor energieproducten die, nadat zij door een erkende entrepothouder aan een tussenkoper zijn verkocht, door deze laatste worden doorverkocht aan een eindverbruiker die voldoet aan alle eisen die in het nationale recht worden gesteld om voor vrijstelling van accijns in aanmerking te komen, en aan wie die goederen door die erkende entrepothouder rechtstreeks uit zijn belasting-entrepot zijn geleverd, op de enkele grond dat de tussenkoper, die door die entrepothouder als geadresseerde van die producten was opgegeven, niet de hoedanigheid heeft van eindverbruiker die naar nationaal recht is gemachtigd om van accijns vrijgestelde energieproducten te ontvangen. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/6 |
Arrest van het Hof (Vijfde kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Oberlandesgericht Düsseldorf — Duitsland) — Dr. Falk Pharma GmbH/DAK-Gesundheit
(Zaak C-410/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Overheidsopdrachten - Richtlijn 2004/18/EG - Artikel 1, lid 2, onder a) - Begrip „overheidsopdracht” - Aankoopsysteem voor goederen waarbij iedere ondernemer die beantwoordt aan vooraf vastgestelde voorwaarden, wordt toegelaten als leverancier - Verstrekking van in een algemeen socialezekerheidsstelsel terugbetaalbare geneesmiddelen - Overeenkomsten gesloten tussen een ziekenfonds en alle verstrekkers van geneesmiddelen met een welbepaalde werkzame stof die aanvaarden een vooraf bepaald percentage korting te verlenen op de verkoopprijs - Wetgeving die in beginsel voorziet in de vervanging van een terugbetaalbaar geneesmiddel dat in de handel werd gebracht door een ondernemer die geen dergelijke overeenkomst heeft gesloten, door een geneesmiddel van hetzelfde type dat in de handel werd gebracht door een ondernemer die een dergelijke overeenkomst heeft gesloten))
(2016/C 287/07)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Oberlandesgericht Düsseldorf
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Dr. Falk Pharma GmbH
Verwerende partij: DAK-Gesundheit
In tegenwoordigheid van: Kohlpharma GmbH
Dictum
1) |
Artikel 1, lid 2, onder a), van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „overheidsopdracht” in de zin van deze richtlijn niet ziet op een systeem van afspraken als in het hoofdgeding, waarmee een openbare instelling voornemens is goederen op de markt aan te kopen door tijdens de gehele looptijd van dat systeem overeenkomsten te sluiten met iedere ondernemer die zich ertoe verbindt om de betrokken goederen te leveren tegen vooraf vastgestelde voorwaarden, waarbij de openbare instelling geen selectie onder de belangstellende ondernemers maakt en hun toestaat tot dat systeem toe te treden tijdens de gehele looptijd ervan. |
2) |
Voor zover het voorwerp van een procedure voor toelating tot een systeem van afspraken als in het hoofdgeding een zeker grensoverschrijdend belang vertoont, moet deze procedure worden gevoerd en georganiseerd in overeenstemming met de fundamentele regels van het VWEU, in het bijzonder met de beginselen van non-discriminatie en gelijkheid van behandeling van ondernemers en met de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/7 |
Arrest van het Hof (Negende kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Wojewódzki Sąd Administracyjny we Wrocławiu — Polen) — ROZ-ŚWIT Zakład Produkcyjno-Handlowo-Usługowy Henryk Ciurko, Adam Pawłowski spółka jawna/Dyrektor Izby Celnej we Wrocławiu
(Zaak C-418/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Accijns - Richtlijn 2003/96/EG - Gedifferentieerde accijnsniveaus voor motorbrandstof en verwarmingsbrandstof - Voorwaarde voor toepassing van het tarief voor verwarmingsbrandstof - Indiening van een maandelijkse lijst van verklaringen volgens welke de gekochte producten voor verwarming worden gebruikt - Toepassing van het accijnstarief voor motorbrandstof bij niet-indiening van die lijst - Evenredigheidsbeginsel))
(2016/C 287/08)
Procestaal: Pools
Verwijzende rechter
Wojewódzki Sąd Administracyjny we Wrocławiu
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: ROZ-ŚWIT Zakład Produkcyjno-Handlowo-Usługowy Henryk Ciurko, Adam Pawłowski spółka jawna
Verwerende partij: Dyrektor Izby Celnej we Wrocławiu
Dictum
Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit, zoals gewijzigd bij richtlijn 2004/75/EG van de Raad van 29 april 2004, en het evenredigheidsbeginsel moeten aldus worden uitgelegd dat zij:
— |
zich niet verzetten tegen een nationale regeling die aan verkopers van verwarmingsbrandstof de verplichting oplegt om binnen de gestelde termijn een maandelijkse lijst van afnemersverklaringen in te dienen, waarbij de afnemers bevestigen dat de gekochte producten voor verwarming worden gebruikt, en |
— |
zich verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het accijnstarief voor motorbrandstof wordt toegepast op de verkochte verwarmingsbrandstof wanneer een dergelijke lijst niet binnen de gestelde termijn wordt overgelegd, ook al is vastgesteld dat er geen twijfel bestaat over het gebruik van dat product voor verwarming. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/8 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Amtsgericht Karlsruhe — Duitsland) — Nabiel Peter Bogendorff von Wolffersdorff/Standesamt der Stadt Karlsruhe, Zentraler Juristischer Dienst der Stadt Karlsruhe
(Zaak C-438/14) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Burgerschap van de Unie - Artikel 21 VWEU - Vrijheid om te reizen en te verblijven in de lidstaten - Wet van een lidstaat waarbij adellijke voorrechten worden afgeschaft en de toekenning van nieuwe adellijke titels wordt verboden - Achternaam van een meerderjarige onderdaan van die staat, verkregen tijdens gewoonlijk verblijf in een andere lidstaat, waarvan die persoon eveneens de nationaliteit bezit - Naam die adellijke bestanddelen bevat - Woonplaats in de eerste lidstaat - Weigering van de autoriteiten van de eerste lidstaat om de in de tweede lidstaat verkregen naam in het register van de burgerlijke stand in te schrijven - Rechtvaardiging - Openbare orde - Onverenigbaarheid met fundamentele beginselen van Duits recht))
(2016/C 287/09)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Amtsgericht Karlsruhe
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Nabiel Peter Bogendorff von Wolffersdorff
Verwerende partijen: Standesamt der Stadt Karlsruhe, Zentraler Juristischer Dienst der Stadt Karlsruhe
Dictum
Artikel 21 VWEU moet aldus worden uitgelegd dat de autoriteiten van een lidstaat de naam van een onderdaan van die lidstaat niet hoeven te erkennen wanneer die onderdaan mede de nationaliteit bezit van een andere lidstaat, waarin hij die door hem vrij gekozen naam, die meerdere adellijke bestanddelen bevat die volgens het recht van eerstgenoemde lidstaat niet zijn toegestaan, heeft verkregen, wanneer komt vast te staan — het is aan de verwijzende rechterlijke instantie, dit te verifiëren — dat een dergelijke niet-erkenning in die context haar rechtvaardiging vindt in redenen van openbare orde omdat zij passend en noodzakelijk is om de eerbiediging van het beginsel van gelijkheid van alle burgers van die lidstaat voor de wet te waarborgen.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/8 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Consiglio di Giustizia amministrativa per la Regione siciliana — Italië) — Pippo Pizzo/CRGT Srl
(Zaak C-27/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Overheidsopdrachten - Richtlijn 2004/18/EG - Deelname aan een openbare aanbesteding - Mogelijkheid om zich te beroepen op de draagkracht van andere ondernemingen om aan de noodzakelijke voorwaarden te voldoen - Niet-betaling van een niet uitdrukkelijk voorziene bijdrage - Uitsluiting van de opdracht zonder mogelijkheid deze omissie te herstellen))
(2016/C 287/10)
Procestaal: Italiaans
Verwijzende rechter
Consiglio di Giustizia amministrativa per la Regione siciliana
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Pippo Pizzo
Verwerende partij: CRGT Srl
in tegenwoordigheid van: Autorità Portuale di Messina, Messina Sud Srl, Francesco Todaro, Myleco Sas
Dictum
1) |
De artikelen 47 en 48 van richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich niet verzetten tegen een nationale regeling op grond waarvan het een ondernemer is toegestaan zich te beroepen op de draagkracht van één of meerdere derde entiteiten, teneinde aan de minimumvereisten voor de deelname aan een openbare aanbesteding te voldoen, waar hij zelf slechts gedeeltelijk aan voldoet. |
2) |
Het beginsel van gelijke behandeling en de transparantieplicht moeten aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen de uitsluiting van een ondernemer van de openbare aanbestedingsprocedure op grond dat hij een verplichting niet is nagekomen die niet uitdrukkelijk in de aanbestedingsdocumenten of in de geldende nationale regeling is vermeld, maar volgt uit een uitlegging van die wet en die documenten, en uit de opvulling van de leemtes van bedoelde documenten door de nationale autoriteiten of bestuursrechters. In die omstandigheden dienen de beginselen van gelijke behandeling en evenredigheid aldus te worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat een ondernemer zijn situatie kan regulariseren en voornoemde verplichting kan nakomen binnen een door de aanbestedende dienst gestelde termijn. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/9 |
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 2 juni 2016 — Photo USA Electronic Graphic, Inc./Raad van de Europese Unie, Europese Commissie, Ancàp SpA, Cerame-Unie AISBL, Confindustria Ceramica, Verband der Keramischen Industrie eV
(Zaak C-31/15 P) (1)
([Hogere voorziening - Uitvoeringsverordening (EU) nr. 412/2013 - Invoer van keuken - en tafelgerei van keramiek van oorsprong uit China - Definitief antidumpingrecht])
(2016/C 287/11)
Procestaal: Engels
Partijen
Rekwirante: Photo USA Electronic Graphic, Inc. (vertegenwoordiger: K. Adamantopoulos, advocaat)
Andere partijen in de procedure: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk B. Driessen en S. Boelaert, vervolgens H. Marcos Fraile, gemachtigden, bijgestaan door B. O’Connor, solicitor, en S. Gubel, advocaat), Europese Commissie (vertegenwoordigers: J.-F. Brakeland en M. França, gemachtigden), Ancàp SpA, Cerame-Unie AISBL, Confindustria Ceramica, Verband der Keramischen Industrie eV (vertegenwoordigers: R. Bierwagen, Rechtsanwalt)
Dictum
1) |
De hogere voorziening wordt afgewezen. |
2) |
Photo USA Electronic Graphic Inc. wordt verwezen in de kosten. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/10 |
Arrest van het Hof (Zesde kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Symvoulio tis Epikrateias — Griekenland) — Kapnoviomichania Karelia AE/Ypourgos Oikonomikon
(Zaak C-81/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Algemene accijnsregeling - Richtlijn 92/12/EEG - Tabaksfabricaten die zich in het verkeer bevinden onder schorsing van accijns - Aansprakelijkheid van de erkende entrepothouder - Mogelijkheid voor de lidstaten om de erkende entrepothouder hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor de betaling van de financiële sancties die aan de smokkelaars zijn opgelegd - Beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid))
(2016/C 287/12)
Procestaal: Grieks
Verwijzende rechter
Symvoulio tis Epikrateias
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Kapnoviomichania Karelia AE
Verwerende partij: Ypourgos Oikonomikon
Dictum
Richtlijn 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer daarvan en de controles daarop, zoals gewijzigd bij richtlijn 92/108/EEG van de Raad van 14 december 1992, gelezen in het licht van de algemene beginselen van het Unierecht, met name de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, moet aldus worden uitgelegd dat zij zich verzet tegen een nationale regeling — als die welke in het hoofdgeding aan de orde is, volgens welke met name de eigenaars van goederen die zich onder schorsing van accijns bevinden, hoofdelijk aansprakelijk kunnen worden verklaard voor de betaling van de financiële sancties op overtredingen die worden begaan tijdens het verkeer van die goederen, indien tussen hen en de overtreders een contractuele band bestaat op grond waarvan deze laatsten voor hen als lasthebbers optreden — uit hoofde waarvan de erkende entrepothouder hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor de betaling van die bedragen zonder dat hij zich van die aansprakelijkheid kan bevrijden door het bewijs te leveren dat hij op geen enkele wijze op de hoogte was van de handelingen van de overtreders, en ook al was hij naar nationaal recht niet de eigenaar van die goederen op het ogenblik waarop de overtreding werd begaan, en bestond er tussen hem en de overtreders geen contractuele band op grond waarvan zij optraden als zijn lasthebbers.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/10 |
Arrest van het Hof (Grote kamer) van 31 mei 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door het Landgericht Köln — Duitsland) — Reha Training Gesellschaft für Sport- und Unfallrehabilitation mbH/Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte eV (GEMA)
(Zaak C-117/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Intellectuele eigendom - Auteursrecht en naburige rechten - Richtlijn 2001/29/EG - Artikel 3, lid 1 - Richtlijn 2006/115/EG - Artikel 8, lid 2 - Begrip „mededeling aan het publiek” - Plaatsing van televisietoestellen door de exploitant van een revalidatiecentrum zodat de patiënten televisieprogramma’s kunnen bekijken))
(2016/C 287/13)
Procestaal: Duits
Verwijzende rechter
Landgericht Köln
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Reha Training Gesellschaft für Sport- und Unfallrehabilitation mbH
Verwerende partij: Gesellschaft für musikalische Aufführungs- und mechanische Vervielfältigungsrechte eV (GEMA)
in tegenwoordigheid van: Gesellschaft zur Verwertung von Leistungsschutzrechten mbH (GVL)
Dictum
In een zaak als het hoofdgeding, in het kader waarvan wordt gesteld dat met de uitzending van televisieprogramma’s via televisietoestellen die de exploitant van een revalidatiecentrum in zijn ruimtes heeft geïnstalleerd, de auteursrechten en de naburige rechten worden getroffen van een groot aantal betrokkenen, in het bijzonder componisten, tekstschrijvers en muziekuitgevers, maar ook uitvoerende kunstenaars, producenten van fonogrammen en auteurs van literaire werken en hun uitgeverijen, moet de vraag of in een dergelijke situatie sprake is van een „mededeling aan het publiek”, worden beoordeeld aan de hand van zowel artikel 3, lid 1, van richtlijn 2001/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 betreffende de harmonisatie van bepaalde aspecten van het auteursrecht en de naburige rechten in de informatiemaatschappij, als artikel 8, lid 2, van richtlijn 2006/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende het verhuurrecht, het uitleenrecht en bepaalde naburige rechten op het gebied van intellectuele eigendom, en aan de hand van dezelfde uitleggingscriteria. Bovendien moeten deze twee bepalingen aldus worden uitgelegd dat een dergelijke uitzending een handeling bestaande in een „mededeling aan het publiek” is.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/11 |
Arrest van het Hof (Eerste kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Korkein hallinto-oikeus — Finland) — procedure ingeleid door C
(Zaak C-122/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Sociale politiek - Beginselen van gelijke behandeling en non-discriminatie op grond van leeftijd - Richtlijn 2000/78/EG - Gelijke behandeling in arbeid en beroep - Artikelen 2, 3 en 6 - Verschil in behandeling op grond van leeftijd - Nationale wettelijke regeling die in bepaalde gevallen voorziet in een hogere belasting op inkomsten uit ouderdomspensioen dan op inkomsten uit arbeid - Werkingssfeer richtlijn 2000/78 - Bevoegdheid van de Europese Unie op het gebied van directe belastingen))
(2016/C 287/14)
Procestaal: Fins
Verwijzende rechter
Korkein hallinto-oikeus
Partij in het hoofdgeding
C
Dictum
Artikel 3, lid 1, onder c), van richtlijn 2000/78/EG van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in arbeid en beroep moet in die zin worden uitgelegd dat een nationale regeling als aan de orde in het hoofdgeding, betreffende een aanvullende belasting op inkomsten uit ouderdomspensioen, niet binnen de materiële werkingssfeer van deze richtlijn en bijgevolg ook niet van artikel 21, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie valt.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/12 |
Arrest van het Hof (Tweede kamer) van 1 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Curtea de Apel Cluj — Roemenië) — Parchetul de pe lângă Curtea de Apel Cluj/Niculaie Aurel Bob-Dogi
(Zaak C-241/15) (1)
([Prejudiciële verwijzing - Politiële en justitiële samenwerking in strafzaken - Kaderbesluit 2002/584/JBZ - Europees aanhoudingsbevel - Artikel 8, lid 1, onder c) - Verplichting om in het Europees aanhoudingsbevel gegevens te vermelden over het bestaan van een „aanhoudingsbevel” - Geen van het Europees aanhoudingsbevel onderscheiden voorafgaand nationaal aanhoudingsbevel - Gevolg])
(2016/C 287/15)
Procestaal: Roemeens
Verwijzende rechter
Curtea de Apel Cluj
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Parchetul de pe lângă Curtea de Apel Cluj
Verwerende partij: Niculaie Aurel Bob-Dogi
Dictum
1) |
Artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299/JBZ van de Raad van 26 februari 2009, moet aldus worden uitgelegd dat het begrip „aanhoudingsbevel” dat in die bepaling voorkomt, zo moet worden opgevat dat daarmee een van het Europees aanhoudingsbevel onderscheiden nationaal aanhoudingsbevel wordt aangeduid. |
2) |
Artikel 8, lid 1, onder c), van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, moet aldus worden uitgelegd dat wanneer een Europees aanhoudingsbevel waaraan het bestaan van een „aanhoudingsbevel” in de zin van die bepaling ten grondslag wordt gelegd, geen vermelding bevat van het bestaan van een nationaal aanhoudingsbevel, de uitvoerende rechterlijke autoriteit daaraan geen gevolg dient te geven indien deze autoriteit aan de hand van de krachtens artikel 15, lid 2, van kaderbesluit 2002/584, zoals gewijzigd bij kaderbesluit 2009/299, verstrekte gegevens alsook enige andere gegevens waarover zij beschikt, vaststelt dat het Europees aanhoudingsbevel niet geldig is omdat het is uitgevaardigd zonder dat ook daadwerkelijk een van het Europees aanhoudingsbevel onderscheiden nationaal aanhoudingsbevel is uitgevaardigd. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/12 |
Arrest van het Hof (Achtste kamer) van 2 juni 2016 (verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Kúria — Hongarije) — Lajvér Meliorációs Nonprofit Kft., Lajvér Csapadékvízrendezési Nonprofit Kft./Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-dunántúli Regionális Adó Főigazgatósága (NAV)
(Zaak C-263/15) (1)
((Prejudiciële verwijzing - Fiscale bepalingen - Belasting over de toegevoegde waarde - Richtlijn 2006/112/EG - Artikel 9, lid 1 - Begrippen „belastingplichtige” en „economische activiteit” - Artikel 24, lid 1 - Begrip „dienst” - Cultuurtechnische bouwwerken - Bouw en exploitatie van een waterafvoersysteem door een handelsvennootschap zonder winstoogmerk - Invloed van de financiering van de bouwwerken met staatssteun en steun van de Europese Unie))
(2016/C 287/16)
Procestaal: Hongaars
Verwijzende rechter
Kúria
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partijen: Lajvér Meliorációs Nonprofit Kft., Lajvér Csapadékvízrendezési Nonprofit Kft.
Verwerende partij: Nemzeti Adó- és Vámhivatal Dél-dunántúli Regionális Adó Főigazgatósága (NAV)
Dictum
1) |
Artikel 9, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde moet aldus worden uitgelegd dat de exploitatie van cultuurtechnische bouwwerken als die in het hoofdgeding door een handelsvennootschap zonder winstoogmerk die slechts bijkomstig een dergelijke activiteit op commerciële wijze uitoefent, een economische activiteit in de zin van deze bepaling vormt, hoewel — enerzijds — deze bouwwerken grotendeels met staatssteun zijn gefinancierd en — anderzijds — de exploitatie ervan slechts inkomsten uit een geringe vergoeding voortbrengt, aangezien deze vergoeding duurzaam is gelet op de periode waarin zij wordt aangerekend. |
2) |
Artikel 24 van richtlijn 2006/112 moet aldus worden uitgelegd dat de exploitatie van cultuurtechnische bouwwerken als die in het hoofdgeding bestaat in de verrichting van diensten onder bezwarende titel aangezien er een rechtstreeks verband bestaat met de ontvangen of te ontvangen vergoeding, mits deze geringe vergoeding de tegenwaarde voor de verrichte dienst vormt en niettegenstaande de omstandigheid dat met deze diensten uitvoering wordt gegeven aan bij wet opgelegde verplichtingen. Het is de taak van de verwijzende rechter om na te gaan of het bedrag van de als tegenprestatie ontvangen of te ontvangen vergoeding erop kan duiden dat een rechtstreeks verband tussen de verrichte of te verrichten diensten en deze tegenprestatie bestaat en dat de diensten dus onder bezwarende titel zijn verricht. Inzonderheid moet deze rechter zich ervan vergewissen dat de door verzoeksters in het hoofdgeding aangerekende vergoeding niet slechts ten dele de verrichte of te verrichten diensten vergoedt en dat de hoogte ervan niet is bepaald op basis van eventuele andere factoren die in voorkomend geval kunnen afdoen aan het rechtstreekse verband tussen de diensten en de tegenprestatie ervan. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/13 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Supremo Tribunal Administrativo (Portugal) op 25 april 2016 — Ministério da Saúde, Administração Regional de Saúde de Lisboa e Vale do Tejo, I.P./João Carlos Lombo Silva Cordeiro
(Zaak C-229/16)
(2016/C 287/17)
Procestaal: Portugees
Verwijzende rechter
Supremo Tribunal Administrativo
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Ministério da Saúde, Administração Regional de Saúde de Lisboa e Vale do Tejo, I.P.
Verwerende partij: João Carlos Lombo Silva Cordeiro
Prejudiciële vragen
1) |
Is richtlijn 2000/35/EG (1) van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000, tegen de achtergrond van overweging 13, van toepassing op het systeem voor de betaling van de bijdrage van de Staat in de prijs van de medicijnen die aan de begunstigden van de nationale gezondheidsdienst worden verstrekt, zoals dat is vastgesteld bij wetsdecreet nr. 242-B/2006 en geregeld bij besluit nr. 3-B/2007? |
2) |
Indien de richtlijn van toepassing is, kan dan uit de artikelen 5 en 6 van wetsdecreet nr. 242-B/2006 het bestaan worden afgeleid van een toetredingsovereenkomst die kan vallen onder artikel 3, lid 1, onder b), van die richtlijn, gezien de mogelijkheid om zich bij deze overeenkomst aan te sluiten of eruit te treden, naargelang de medicijnen al of niet worden verstrekt? |
3) |
Zijn artikel 8 van wetsdecreet nr. 242-B/2006 en de artikelen 8 en 10 van besluit nr. 3-B/2007, waarin een maandelijkse facturering wordt vastgesteld, in overeenstemming met artikel 3, lid 1, [onder b)], i), van richtlijn 2000/35 […]? |
4) |
Kan artikel 10 van besluit nr. 3-B/2007 van 2 januari 2007 worden geacht te vallen onder artikel 3, lid 2, van de genoemde richtlijn, waar het het tijdstip van betaling bepaalt op de tiende dag van de maand volgend op de maand waarin de rekening is ontvangen? |
(1) Richtlijn 2000/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende bestrijding van betalingsachterstand bij handelstransacties (PB 2000, L 200, blz. 35).
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/14 |
Hogere voorziening ingesteld op 25 mei 2016 door Dextro Energy GmbH & Co. KG tegen het arrest van het Gerecht (Vijfde kamer) van 16 maart 2016 in de zaak T-100/15, Dextro Energy GmbH & Co. KG/Europese Commissie
(Zaak C-296/16 P)
(2016/C 287/18)
Procestaal: Duits
Partijen
Rekwirante: Dextro Energy GmbH & Co. KG (vertegenwoordigers: M. Hagenmeyer en T. Teufer, Rechtsanwälte)
Andere partij in de procedure: Europese Commissie
Conclusies
— |
volledige vernietiging van het arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 16 maart 2016 in de zaak T-100/15. Ingeval de hogere voorziening gegrond wordt verklaard, wordt verzocht het in eerste aanleg gevorderde volledig toe te wijzen, namelijk:
|
Middelen en voornaamste argumenten
Om te beginnen voert rekwirante aan dat het Gerecht een onjuist toetsingscriterium hanteert:
Door te oordelen dat bij „zeer ingewikkelde wetenschappelijke en technische feiten” alleen moet worden nagegaan of de Commissie geen misbruik heeft gemaakt van haar beoordelingsbevoegdheid, heeft het Gerecht van meet af aan afgezien van een groot deel van de discretionaire beoordeling, die het Gerecht en het Hof echter daadwerkelijk dienen uit te voeren. Het Gerecht en het Hof moeten niet slechts nagaan of de Commissie misbruik heeft gemaakt van haar beoordelingsbevoegdheid. Veeleer kan en moet door de rechter worden onderzocht of de Commissie de voorschriften van de Europese wetgever in artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 correct heeft opgevat en in dat verband haar beoordelingsbevoegdheid juist heeft gebruikt. Bij de toetsing door de rechter moet ook iedere vorm van onjuist gebruik van de beoordelingsbevoegdheid worden nagegaan. Dit is in casu niet gebeurd doordat het belang van „andere factoren die ter zake een rol spelen” niet juist is ingeschat en deze factoren onjuist zijn beoordeeld.
Voorts stelt rekwirante dat artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 is geschonden, en zij baseert zich daarvoor op 3 middelen:
In de eerste plaats is de weigering om de betrokken gezondheidsclaims toe te staan gebaseerd op beoordelingsfouten van de Commissie. Dat blijkt om te beginnen uit de in artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 bepaalde hiërarchie van factoren die ter zake een rol spelen. Niet iedere inaanmerkingneming van een ter zake dienende factor kan ook een weigering om materieel toepasselijke en wetenschappelijk voldoende onderbouwde gezondheidsclaims toe te staan rechtvaardigen. Volgens rekwirante komen zij volgens overweging 17 van de verordening niet „op de eerste plaats” bij het besluit om de claims al dan niet toe te staan. „Op de eerste plaats” bij gezondheidsclaims moet een „wetenschappelijke onderbouwing… komen”. Deze afweging vindt ook haar neerslag in artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006. Op de eerste plaats wordt daar het advies van de autoriteit genoemd.
In de tweede plaats heeft de Commissie haar beoordelingsbevoegdheid krachtens artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 tevens foutief uitgeoefend, doordat zij ten onrechte ervan is uitgegaan dat rekwirantes claims een „tegenstrijdige en verwarrende boodschap aan de consument” zouden kunnen overbrengen. Een vermelding van bewezen effecten van glucose betekent niet dat men suiker moet gebruiken of zelfs meer ervan moet gebruiken, noch dat er geen aanbevelingen van derden bestaan om het gebruik van suiker te verminderen. Van een tegenstrijdigheid kan bijgevolg geen sprake zijn — in het bijzonder niet waar het gaat om de in de claims concreet genoemde gezonde, actieve en sportieve mannen en vrouwen.
In de derde plaats blijkt nog een beoordelingsfout van de Commissie in het kader van artikel 18, lid 4, van verordening (EG) nr. 1924/2006 uit het feit dat zij ten onrechte heeft gemeend dat rekwirantes claims dubbelzinnig en misleidend zijn. Om een oplettende gemiddelde consument te misleiden, moeten rekwirantes gezondheidsclaims bedrieglijk zijn. Juist dat is in casu niet het geval.
Daarnaast voert rekwirante schending van het evenredigheidsbeginsel aan.
De weigering van de Commissie om rekwirantes gezondheidsclaims toe te staan, schendt het evenredigheidsbeginsel. De Commissie is als instelling van de Europese Unie gehouden tot eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid in de zin van artikel 5, lid 4, punt 1), VEU. Wanneer algemeen aanvaarde voedings- en gezondheidsbeginselen de enige reden vormen voor de weigering om rekwirantes gezondheidsclaims toe te staan, zonder dat voldoende rekening wordt gehouden met de concrete omstandigheden van het individuele geval, dan vormt dit schending van het evenredigheidsbeginsel. Op grond van de algemene beginselen is het in het concrete geval niet noodzakelijk om te weigeren rekwirantes claims toe te staan, maar komen veeleer minder verregaande oplossingen als specifieke gebruiksvoorwaarden en etiketteringsvoorschriften in overweging. Dienaangaande geldt bovendien dat ook vanuit voedings- en gezondheidsstandpunt een onbeperkt totaalverbod van de materieel correcte en wetenschappelijk voldoende onderbouwde gezondheidsclaims als gevolg van de weigering om deze claims toe te staan, geen gepaste maatregel vormt om een hoog niveau van consumentenbescherming te verkrijgen.
Tot slot betoogt rekwirante dat het beginsel van gelijke behandeling is geschonden.
Het is eveneens duidelijk dat de weigering om de betrokken gezondheidsclaims toe te staan het beginsel van gelijke behandeling schendt. De Commissie gaat in vergelijkbare zaken anders om met vergunningen, hoewel er geen materiële redenen bestaan voor een ongelijke behandeling.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/16 |
Verzoek om een prejudiciële beslissing ingediend door de Conseil d’État (Frankrijk) op 30 mei 2016 — Solar Electric Martinique/Ministre des finances et des comptes publics
(Zaak C-303/16)
(2016/C 287/19)
Procestaal: Frans
Verwijzende rechter
Conseil d’État
Partijen in het hoofdgeding
Verzoekende partij: Solar Electric Martinique
Verwerende partij: Ministre des finances et des comptes publics
Prejudiciële vraag
Het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt verzocht om een prejudiciële beslissing over de vraag of de verkoop van fotovoltaïsche panelen en zonneboilers en de installatie daarvan op onroerende goederen of teneinde onroerende goederen van elektriciteit of warm water te voorzien, kunnen worden beschouwd als één enkele handeling betreffende werken in onroerende staat in de zin van artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 1, van de Zesde richtlijn van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (1), thans artikel 14, lid 3, en artikel 24, lid 1, van de richtlijn van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (2).
(1) Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid- Staten inzake omzetbelasting — Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB L 145, blz. 1).
(2) Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1).
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/16 |
Beroep ingesteld op 1 juni 2016 — Europese Commissie/Tsjechische Republiek
(Zaak C-314/16)
(2016/C 287/20)
Procestaal: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: Z. Malůšková en J. Hottiaux)
Verwerende partij: Tsjechische Republiek
Conclusies
1. |
voor recht verklaren dat:
|
2. |
de Tsjechische Republiek verwijzen in de kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Artikel 4, lid 1, van richtlijn 2006/126/EG voorziet erin dat met rijbewijzen gemotoriseerde voertuigen van de in dat artikel omschreven categorieën dienen te mogen worden bestuurd. In artikel 4, lid 4, onder d) en f), van de richtlijn worden de groepen C1 en C nader gedefinieerd. Voor beide groepen is uitdrukkelijk de voorwaarde gesteld dat de groep voertuigen „niet behorende tot de categorieën D 1 of D” moet omvatten. De Tsjechische wetgeving waarin groepen voertuigen worden gedefinieerd bevat echter niet de voorwaarde dat de groepen C1 en C zijn beperkt tot „motorvoertuigen niet behorende tot de categorieën D 1 of D”.
Artikel 4, lid 4, onder h), van richtlijn 2006/126/EG definieert groep D1 als een groep waaronder voertuigen vallen „ontworpen en gebouwd voor het vervoer van ten hoogste 16 personen, de bestuurder niet meegerekend”, zonder een minimumaantal personen vast te stellen. In de Tsjechische wetgeving is evenwel voorzien in de aanvullende eis dat voertuigen bestemd voor het vervoer van meer dan 8 personen in groep D1 dienen te worden ingedeeld.
Gerecht
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/18 |
Arrest van het Gerecht van 28 juni 2016 — Portugal Telecom/Commissie
(Zaak T-208/13) (1)
((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Portugese en Spaanse telecommunicatiemarkt - Niet-concurrentiebeding op de Iberische markt dat is opgenomen in de overeenkomst waarbij Telefónica de door Portugal Telecom gehouden deelneming in de Braziliaanse mobiele aanbieder Vivo verwerft - Voorbehoud van rechtsgeldigheid ‚voor zover zulks bij de wet is toegestaan’ - Motiveringsplicht - Inbreuk naar strekking - Nevenrestrictie - Potentiële mededinging - Inbreuk naar gevolgen - Berekening van de geldboete - Verzoek om getuigen te horen”))
(2016/C 287/21)
Procestaal: Portugees
Partijen
Verzoekende partij: Portugal Telecom SGPS, SA (Lissabon, Portugal) (vertegenwoordigers: N. Mimoso Ruiz en R. Bordalo Junqueiro, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: aanvankelijk C. Giolito, C. Urraca Caviedes en T. Christoforou, vervolgens C. Giolito, C. Urraca Caviedes en P. Costa de Oliveira, gemachtigden, bijgestaan door M. Marques Mendes, advocaat)
Voorwerp
Primair, verzoek om nietigverklaring van besluit C(2013) 306 final van de Commissie van 23 januari 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU (zaak COMP/39.839 — Telefónica/Portugal Telecom) en, subsidiair, verzoek om verlaging van de geldboete
Dictum
1) |
Artikel 2 van besluit C(2013) 306 final van de Commissie van 23 januari 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU (zaak COMP/39.839 — Telefónica/Portugal Telecom) wordt nietig verklaard voor zover het bedrag van de aan Portugal Telecom SGPS, SA opgelegde geldboete is vastgesteld op 12 290 000 EUR, aangezien dit bedrag is vastgesteld op basis van de waarde van de verkopen waarvan de Europese Commissie is uitgegaan. |
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
3) |
Portugal Telecom SGPS zal drie kwart van haar eigen kosten en een kwart van de kosten van de Commissie dragen. De Commissie zal drie kwart van haar eigen kosten en een kwart van de kosten van Portugal Telecom SGPS dragen. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/19 |
Arrest van het Gerecht van 28 juni 2016 — Telefónica/Commissie
(Zaak T-216/13) (1)
((„Mededinging - Mededingingsregelingen - Portugese en Spaanse telecommunicatiemarkt - Niet-concurrentiebeding op de Iberische markt dat is opgenomen in de overeenkomst waarbij Telefónica de door Portugal Telecom gehouden deelneming in de Braziliaanse mobiele aanbieder Vivo verwerft - Voorbehoud van rechtsgeldigheid „voor zover zulks bij de wet is toegestaan” - Inbreuk naar strekking - Nevenrestrictie - Autonomie van het gedrag van verzoekster - Potentiële mededinging - Inbreuk naar gevolgen - Berekening van de geldboete - Verzoek om getuigen te horen”))
(2016/C 287/22)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: Telefónica, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: J. Folguera Crespo, P. Vidal Martínez en E. Peinado Iríbar, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Giolito en C. Urraca Caviedes, gemachtigden)
Voorwerp
Primair, verzoek om nietigverklaring van besluit C(2013) 306 final van de Commissie van 23 januari 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU (zaak COMP/39.839 — Telefónica/Portugal Telecom) en, subsidiair, verzoek om verlaging van de geldboete
Dictum
1) |
Artikel 2 van besluit C(2013) 306 final van de Commissie van 23 januari 2013 inzake een procedure op grond van artikel 101 VWEU (zaak COMP/39.839 — Telefónica/Portugal Telecom) wordt nietig verklaard voor zover het bedrag van de aan Telefónica, SA opgelegde geldboete is vastgesteld op 66 894 000 EUR, aangezien dit bedrag is vastgesteld op basis van de waarde van de verkopen waarvan de Europese Commissie is uitgegaan. |
2) |
Het beroep wordt verworpen voor het overige. |
3) |
Telefónica zal drie kwart van haar eigen kosten en een kwart van de kosten van de Commissie dragen. De Commissie zal drie kwart van haar eigen kosten en een kwart van de kosten van Telefónica dragen. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/19 |
Arrest van het Gerecht van 28 juni 2016 — AF Steelcase/EUIPO
(Zaak T-652/14) (1)
((„Overheidsopdrachten voor diensten - Aanbestedingsprocedure - Levering en plaatsing van meubilair en toebehoren in de gebouwen van het EUIPO - Afwijzing van de offerte van een inschrijver - Beroep tot nietigverklaring - Gunningsbesluit - Niet rechtstreeks geraakt - Niet-ontvankelijkheid - Motiveringsplicht - Beginsel van behoorlijk bestuur - Evenredigheid - Regeling van uitsluiting van offertes - Niet-contractuele aansprakelijkheid - Materiële schade - Morele schade”))
(2016/C 287/23)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partij: AF Steelcase, SA (Madrid, Spanje) (vertegenwoordigers: S. Rodríguez Bajón en A. Gómez-Acebo Dennes, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk N. Bambara en M. Paolacci, vervolgens N. Bambara en J. Crespo Carrillo, gemachtigden)
Voorwerp
Ten eerste, beroep op grond van artikel 263 VWEU tot nietigverklaring van het besluit van het EUIPO van 8 juli 2014 tot afwijzing van de offerte die verzoekster heeft ingediend in het kader van een aanbesteding voor de levering en plaatsing van meubilair en toebehoren in de gebouwen van het EUIPO (PB 2014/S 023-035020) en van de met de beslissing tot afwijzing van verzoeksters offerte verknochte besluiten, waaronder, in voorkomend geval, het gunningsbesluit, alsmede verzoek tot hervatting van de aanbestedingsprocedure in het stadium na het besluit van 8 juli 2014, en, ten tweede, beroep op grond van artikel 268 VWEU tot vergoeding van de schade die verzoekster stelt te hebben geleden
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
AF Steelcase, SA wordt verwezen in de kosten. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/20 |
Arrest van het Gerecht van 28 juni 2016 — Peri/EUIPO (Vorm van een bekistingsklem)
(Zaak T-656/14) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor driedimensionaal Uniemerk - Vorm van een bekistingsklem - Absolute weigeringsgrond - Teken dat uitsluitend bestaat in de vorm van de waar die noodzakelijk is om een technische uitkomst te verkrijgen - Artikel 7, lid 1, onder e), ii), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 287/24)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Peri GmbH (Weißenhorn, Duitsland) (vertegenwoordigers: A. Bognár en M. Eck, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: D. Walicka, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 26 juni 2014 (zaak R 1178/2013-1) inzake een aanvraag tot inschrijving van een driedimensionaal teken in de vorm van een bekistingsklem als Uniemerk
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Peri GmbH wordt verwezen in de kosten. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/21 |
Arrest van het Gerecht van 29 juni 2016 — Universal Protein Supplements/EUIPO — H Young Holdings (animal)
(Gevoegde zaken T-727/14 en T-728/14) (1)
([„Uniemerk - Nietigheidsprocedure - Uniebeeldmerken animal - Niet-ingeschreven ouder nationaal woordmerk ANIMAL - Relatieve weigeringsgrond - Toepassing van het nationale recht door het EUIPO - Artikelen 53, lid 1, onder c), en 8, lid 4, van verordening (EG) nr. 207/2009 - Verduidelijkingen omtrent het recht waarop de vordering tot nietigheid steunt - Regel 37, onder b), ii), van verordening (EG) nr. 2868/95”])
(2016/C 287/25)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Universal Protein Supplements Corp. (New Brunswick, New Jersey, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: S. Malynicz, barrister)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordigers: P. Bullock en A. Folliard-Monguiral, gemachtigden)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep van het EUIPO, interveniënte voor het Gerecht: H Young Holdings plc (Newbury, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: D. Parrish, solicitor, en A. Roughton, barrister)
Voorwerp
Beroepen tegen de beslissingen van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 31 juli 2014 (zaken R 2054/2013-1 en R 2058/2013-1) inzake nietigheidsprocedures tussen Universal Protein Supplements en H Young Holdings
Dictum
1) |
De beroepen worden verworpen. |
2) |
Universal Protein Supplements Corp. wordt verwezen in de kosten. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/21 |
Arrest van het Gerecht van 28 juni 2016 — salesforce.com/EUIPO (SOCIAL.COM)
(Zaak T-134/15) (1)
([„Uniemerk - Aanvraag voor Uniewoordmerk SOCIAL.COM - Absolute weigeringsgronden - Beschrijvend karakter - Geen onderscheidend vermogen - Artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening (EG) nr. 207/2009”])
(2016/C 287/26)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: salesforce.com, Inc. (San Francisco, Californië, Verenigde Staten) (vertegenwoordigers: A. Nordemann en M. Maier, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (vertegenwoordiger: M. Fischer, gemachtigde)
Voorwerp
Beroep tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 20 januari 2015 (zaak R 1752/2014-4) inzake een aanvraag tot inschrijving van het woordteken SOCIAL.COM als Uniemerk
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
salesforce.com, Inc. wordt verwezen in de kosten. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/22 |
Beschikking van het Gerecht van 22 juni 2016 — Marcuccio/Europese Unie
(Zaak T-409/14) (1)
((„Beroep tot schadevergoeding - Verzoeker die niet meer antwoordt op de verzoeken van het Gerecht - Afdoening zonder beslissing”))
(2016/C 287/27)
Procestaal: Italiaans
Partijen
Verzoekende partij: Luigi Marcuccio (Tricase, Italië) (vertegenwoordiger: G. Cipressa, advocaat)
Verwerende partij: Europese Unie, vertegenwoordigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie (vertegenwoordigers: aanvankelijk A. Placco, vervolgens J. Inghelram, P. Giusta en L. Tonini Alabiso, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek krachtens artikel 268 VWEU en strekkende tot vergoeding van de schade die verzoeker zou hebben geleden door de duur van de procedure in de zaken T-236/02, C-59/06 P en C-617/11 P
Dictum
1) |
Op het beroep behoeft niet meer te worden beslist. |
2) |
Elke partij zal haar eigen kosten dragen in verband met de exceptie van niet-ontvankelijkheid die heeft geleid tot de beschikking van 9 januari 2015, Marcuccio/Europese Unie (T 409/14, niet gepubliceerd, EU:T:2015:18). |
3) |
Marcuccio zal zijn eigen kosten dragen en de overige kosten van het Hof van Justitie van de Europese Unie. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/23 |
Beroep ingesteld op 17 mei 2016 — Cleversafe/EUIPO (Beyond Scale)
(Zaak T-252/16)
(2016/C 287/28)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Cleversafe, Inc. (Chicago, Illinois, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: A. Lingenfelser, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Betrokken merk: Uniewoordmerk „Beyond Scale” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 975 438
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 14 maart 2016 in zaak R 2239/2015-4
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing. |
Aangevoerd middel
— |
Zonder aanduiding van commerciële herkomst wordt het betrokken merk als geheel niet waargenomen als een lovende reclameboodschap. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/23 |
Beroep ingesteld op 17 mei 2016 — Cleversafe/EUIPO (Storage Beyond Scale)
(Zaak T-253/16)
(2016/C 287/29)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Cleversafe, Inc. (Chicago, Illinois, Verenigde Staten) (vertegenwoordiger: A. Lingenfelser, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Betrokken merk: Uniewoordmerk „Storage Beyond Scale” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 975 446
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 14 maart 2016 in zaak R 2240/2015-4
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing. |
Aangevoerd middel
— |
De woorden waaruit het merk is opgebouwd zijn niet louter lovend van aard, zoals de onderzoeker meent. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/24 |
Beroep ingesteld op 27 mei 2016 — Korea National Insurance/Raad en Commissie
(Zaak T-264/16)
(2016/C 287/30)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Korea National Insurance Corp. (Pyongyang, Democratische Volksrepubliek Korea) (vertegenwoordigers: M. Lester en S. Midwinter, barristers, T. Brentnall en A. Stevenson, solicitors)
Verwerende partijen: Raad van de Europese Unie en Europese Commissie
Conclusies
— |
nietigverklaring van besluit (GBVB) 2016/475 van de Raad van 31 maart 2016 tot wijziging van besluit 2013/183/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en van uitvoeringsverordening (EU) 2016/659 van de Commissie van 27 april 2016 tot wijziging van verordening (EG) nr. 329/2007 van de Raad betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Volksrepubliek Korea, voor zover deze maatregelen ertoe strekken verzoekster op te nemen in bijlage V bij verordening (EG) nr. 329/2007 van de Raad en in bijlage II bij besluit 2013/183/GBVB. |
— |
verwijzing van de verwerende partijen in verzoeksters kosten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert de verzoekende partij vier middelen aan.
1. |
Eerste middel: verweerders hebben verzuimd om adequate en toereikende redenen te geven voor de plaatsing van verzoekster op de lijst. |
2. |
Tweede middel: verweerders hebben een kennelijke fout gemaakt door te menen dat enig criterium voor opname in de betwiste maatregelen was vervuld in verzoeksters geval. Er is geen feitelijke grondslag voor haar plaatsing op de lijst. |
3. |
Derde middel: verweerders hebben inbreuk gemaakt op de beginselen van gegevensbescherming. |
4. |
Vierde middel: verweerders hebben zonder rechtvaardiging en op onevenredige wijze verzoeksters grondrechten geschonden, waaronder haar recht op bescherming van eigendom, onderneming en goede naam. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/25 |
Beroep ingesteld op 27 mei 2016 — Tarmac Trading/Commissie
(Zaak T-267/16)
(2016/C 287/31)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Tarmac Trading Ltd. (Birmingham, Verenigd Koninkrijk) (vertegenwoordigers: D. Anderson en P. Halford, Solicitors en K. Beal, QC)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
nietigverklaring van besluit (EU) 2016/288 van de Commissie van 27 maart 2015 betreffende steunmaatregel SA.34775 (13/C) (ex 12/NN) — Heffing over aggregaten — en in het bijzonder de overwegingen (625), (626), (629) en (630) en de artikelen 5 en 7 van dat bestreden besluit, op grond dat:
|
— |
verwijzing van de Commissie in de kosten van verzoekster in deze procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van haar beroep voert verzoekster twee middelen aan.
1. |
Eerste middel, ontleend aan onjuiste toepassing van het recht en/of een kennelijke beoordelingsfout bij de vaststelling van de begunstigden en de kwantificering van het terug te vorderen steunbedrag. Volgens verzoekster heeft de Commissie het recht onjuist toegepast en/of een kennelijke beoordelingsfout gemaakt doordat in het bestreden besluit uitsluitend de schalieproducenten als begunstigden van de onrechtmatige steun worden aangemerkt en het Verenigd Koninkrijk niet wordt verplicht om het van hen terug te vorderen bedrag te verminderen in de mate waarin zij het voordeel uit de schalievrijstelling hebben doorgegeven aan hun klanten.
|
2. |
Tweede middel, ontleend aan schending van het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel. Verzoekster brengt naar voren dat indien van verzoekster het volledige bedrag aan niet betaalde heffingen over aggregaten met betrekking tot de door haar verhandelde schalie zou worden teruggevorderd, dit in strijd met artikel 14, lid 1, van verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad niet in verhouding zou staan met enig financieel voordeel uit de beschikbaarstelling aan haar van de steun. Verzoekster heeft het voordeel uit de vrijstelling van AGL volledig doorgegeven aan haar klanten en het zou voor haar praktisch onmogelijk zijn om met terugwerkende kracht die niet betaalde AGL van haar klanten terug te vorderen. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/26 |
Beroep ingesteld op 14 juni 2016 — Lidl Stiftung/EUIPO — Primark Holdings (LOVE TO LOUNGE)
(Zaak T-305/16)
(2016/C 287/32)
Taal van het verzoekschrift: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Lidl Stiftung & Co. KG (Neckarsulm, Duitsland) (vertegenwoordigers: M. Kefferpütz en A. Berger, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Primark Holdings (Dublin, Ierland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: Uniewoordmerk „LOVE TO LOUNGE” — Uniemerk nr. 8 500 548
Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 9 maart 2016 in zaak R 489/2015-2
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing en nietigverklaring van Uniemerk nr. 8 500 548; |
— |
verwijzing van verweerder in de kosten van de procedure; |
— |
verwijzing van interveniënte in de kosten van de procedure voor het EUIPO. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van de artikelen 75 en 76 van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder b) en c), van verordening nr. 207/2009. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/27 |
Beroep ingesteld op 13 juni 2016 — Marsh/EUIPO (ClaimsExcellence)
(Zaak T-308/16)
(2016/C 287/33)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Marsh GmbH (Frankfurt am Main, Duitsland) (vertegenwoordiger: W. Riegger, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Betrokken merk: Uniewoordmerk „ClaimsExcellence” — inschrijvingsaanvraag nr. 13 847 462
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 8 april 2016 in zaak R 2358/2015-4
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten van de procedure, daaronder begrepen de kosten van de procedure voor de kamer van beroep. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/28 |
Beroep ingesteld op 21 juni 2016 — Grupo Riberebro Integral en Riberebro Integral/Commissie
(Zaak T-313/16)
(2016/C 287/34)
Procestaal: Spaans
Partijen
Verzoekende partijen: Grupo Riberebro Integral, S.L. (Alfaro, Spanje) en Riberebro Integral, S.A. (Alfaro, Spanje) (vertegenwoordigers: R. Allendesalazar Corcho en A. Rincón García-Loygorri, advocaten)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
artikel 2 van besluit C(2016) 1933 final van de Europese Commissie van 6 april 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, in zaak AT.39965 — Champignons, krachtens artikel 263 VWEU nietig verklaren wat betreft het bedrag van de aan verzoeksters opgelegde geldboete, daar sprake is van een kennelijke beoordelingsfout van de Europese Commissie met betrekking tot de feiten op basis waarvan geen rekening is gehouden met verzoeksters’ onvermogen om te betalen; |
— |
subsidiair, artikel 2 van besluit C(2016) 1933 final van de Europese Commissie van 6 april 2016 inzake een procedure op grond van artikel 101 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en artikel 53 van de EER-Overeenkomst, in zaak AT.39965 — Champignons, krachtens de volledige rechtsmacht waarin is voorzien in artikel 31 van verordening (EG) nr. 1/2003 en artikel 261 VWEU, wijzigen en de aan verzoeksters’ opgelegde boete verlagen; |
— |
de Europese Commissie verwijzen in de kosten van de onderhavige procedure. |
Middelen en voornaamste argumenten
De onderhavige procedure ziet op het door een bepaalde onderneming bij de Europese Commissie ingediende clementieverzoek dat betrekking heeft op de deelname van die onderneming aan een kartel in de sector ingeblikte champignons. Blijkens het besluit van de Commissie werd met het kartel beoogd de markt voor champignons te stabiliseren en de prijsdalingen te stoppen.
Verzoeksters stellen noch de feiten, noch de juridische beoordeling daarvan ter discussie en hebben reeds hun instemming daarmee betuigd naar aanleiding van de medewerking aan de clementieprocedure en in hun reactie op de mededeling van punten van bezwaar, waarin zij aangaven het eens te zijn met de omschrijving en juridische beoordeling van de feiten. In geschil is de gedane beoordeling van de opgelegde boete en de evenredigheid daarvan.
Ter ondersteuning van hun beroep voeren verzoeksters twee middelen aan.
1. |
Eerste middel: kennelijk beoordelingsfout van verweerster
|
2. |
Tweede middel: schending van het evenredigheidsbeginsel
|
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/29 |
Beroep ingesteld op 20 juni 2016 — Tamasu Butterfly Europa/EUIPO — adp Gauselmann (Butterfly)
(Zaak T-315/16)
(2016/C 287/35)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Tamasu Butterfly Europa GmbH (Moers, Duitsland) (vertegenwoordiger: C. Röhl, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: adp Gauselmann GmbH (Espelkamp, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: Uniewoordmerk „Butterfly”
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO van 17 maart 2016 in zaak R 221/2015-1
Conclusies
— |
de bestreden beslissing aldus wijzigen dat de oppositie in haar geheel wordt toegewezen en gemeenschapsmerkaanvraag nr. 011757549 wordt afgewezen; |
— |
andere partij verwijzen in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 8, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 8, lid 5, van verordening nr. 207/2009. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/30 |
Beroep ingesteld op 21 juni 2016 — Moravia Consulting/EUIPO — Citizen Systems Europe (SDC-554S)
(Zaak T-316/16)
(2016/C 287/36)
Taal van het verzoekschrift: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Moravia Consulting spol. s r. o. (Brno, Tsjechië) (vertegenwoordiger: M. Kyjovský, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Citizen Systems Europe GmbH (Stuttgart, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: Uniewoordmerk „SDC-554S” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 780 581
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 1 april 2016 in zaak R 1575/2015-2
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/31 |
Beroep ingesteld op 21 juni 2016 — Moravia Consulting/EUIPO — Citizen Systems Europe (SDC-888TII RU)
(Zaak T-317/16)
(2016/C 287/37)
Taal van het verzoekschrift: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Moravia Consulting spol. s r. o. (Brno, Tsjechië) (vertegenwoordiger: M. Kyjovský, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Citizen Systems Europe GmbH (Stuttgart, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: Uniewoordmerk „SDC-888TII RU” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 781 225
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 1 april 2016 in zaak R 1566/2015-2
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/31 |
Beroep ingesteld op 21 juni 2016 — Moravia Consulting/EUIPO — Citizen Systems Europe (SDC-444S)
(Zaak T-318/16)
(2016/C 287/38)
Taal van het verzoekschrift: Tsjechisch
Partijen
Verzoekende partij: Moravia Consulting spol. s r. o. (Brno, Tsjechië) (vertegenwoordiger: M. Kyjovský, advocaat)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Citizen Systems Europe GmbH (Stuttgart, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Aanvrager: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: Uniewoordmerk „SDC-444S” — inschrijvingsaanvraag nr. 12 780 061
Procedure voor het EUIPO: oppositieprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 1 april 2016 in zaak R 1573/2015-2
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 8, lid 4, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 52, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 76, lid 1, van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van regel 50, lid 1, van verordening nr. 2868/95. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/32 |
Beroep ingesteld op 20 juni 2016 — Bundesverband Deutsche Tafel/EUIPO — Tiertafel Deutschland (Tafel)
(Zaak T-326/16)
(2016/C 287/39)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Bundesverband Deutsche Tafel e.V. (Berlijn, Duitsland) (vertegenwoordigers: T. Koerl, E. Celenk, S. Vollmer, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Tiertafel Deutschland e.V. (Rathenow, Duitsland)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: verzoekende partij
Betrokken merk: Uniewoordmerk „Tafel” — Uniemerk nr. 8 985 541
Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO van 4 april 2016 in zaak R 248/2016-4
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 65, lid 6, van verordening nr. 207/2009. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/33 |
Beroep ingesteld op 24 juni 2016 — Aldi Einkauf/EUIPO — Fratelli Polli (ANTICO CASALE)
(Zaak T-327/16)
(2016/C 287/40)
Taal van het verzoekschrift: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Aldi Einkauf GmbH & Co. OHG (Essen, Duitsland) (vertegenwoordigers: N. Lützenrath, U. Rademacher, C. Fürsen en N. Bertram, advocaten)
Verwerende partij: Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO)
Andere partij in de procedure voor de kamer van beroep: Fratelli Polli, SpA (Milaan, Italië)
Gegevens betreffende de procedure voor het EUIPO
Houder van het betrokken merk: andere partij in de procedure voor de kamer van beroep
Betrokken merk: Uniewoordmerk „ANTICO CASALE” — Uniemerk nr. 10 531 432
Procedure voor het EUIPO: nietigheidsprocedure
Bestreden beslissing: beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 13 april 2016 in zaak R 1337/2015-2
Conclusies
— |
vernietiging van de bestreden beslissing; |
— |
verwijzing van het EUIPO in de kosten. |
Aangevoerde middelen
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder c), van verordening nr. 207/2009; |
— |
schending van artikel 7, lid 1, onder g), van verordening nr. 207/2009. |
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/34 |
Beroep ingesteld op 29 juni 2016 — De Masi/Commissie
(Zaak T-341/16)
(2016/C 287/41)
Procestaal: Duits
Partijen
Verzoekende partij: Fabio De Masi (Brussel, België) (vertegenwoordiger: Professor A. Fischer-Lescano)
Verwerende partij: Europese Commissie
Conclusies
— |
verweersters besluit betreffende de beperkte toegang tot de documenten van de Groep gedragscode van 8 juni 2016 nietig verklaren; |
— |
verweerster overeenkomstig artikel 87, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht verwijzen in de kosten van het geding en van eventuele interveniënten. |
Middelen en voornaamste argumenten
Ter ondersteuning van zijn beroep voert verzoeker één middel aan, namelijk schending van de in artikel 230, tweede alinea, VWEU juncto artikel 10, lid 2, VEU bedoelde rechten van de leden van het Europees Parlement in verband met informatieverplichtingen.
Gerecht voor ambtenarenzaken
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/35 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 28 juni 2016 — FV/Raad
(Zaak F-40/15) (1)
((Openbare dienst - Beoordeling - Beoordelingsrapport - Procesbelang - Slechtere analytische beoordelingen - Inschakeling van het beoordelingscomité - Wijziging door de tweede beoordelaar van bepaalde beoordelingen die niet van invloed zijn op de totale beoordeling - Kennelijk onjuiste beoordeling - Motiveringsplicht - Zorgplicht))
(2016/C 287/42)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: FV (vertegenwoordigers: aanvankelijk T. Bontinck en A. Guillerme, advocaten, vervolgens L. Levi, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en M. Veiga, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van verzoeksters beoordelingsrapport over 2013
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
FV draagt haar eigen kosten en wordt verwezen in de kosten van de Raad van de Europese Unie. |
(1) PB C 178 van 1.6.2015, blz. 27.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/35 |
Arrest van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Enkelvoudige kamer) van 28 juni 2016 — Kotula/Commissie
(Zaak F-118/15) (1)
((Openbare dienst - Ambtenaren - Artikel 45 van het Statuut - Bevorderingsronde 2014 - Algemene uitvoeringsbepalingen van artikel 45 van het Statuut - Lijst van ambtenaren die door de directeuren-generaal en door de diensthoofden worden voorgedragen voor bevordering - Niet-opneming van verzoekers naam - Overplaatsing naar een andere instelling - Inaanmerkingneming van de beoordelingsrapporten die de vorige instelling heeft opgesteld - Mogelijkheid om de lijst van ambtenaren die worden voorgedragen voor bevordering te betwisten voor het paritair bevorderingscomité - Vergelijking van de verdiensten van de voor bevordering in aanmerking komende ambtenaren))
(2016/C 287/43)
Procestaal: Frans
Partijen
Verzoekende partij: Marcin Kotula (Brussel, België) (vertegenwoordigers: N. de Montigny en J.-N. Louis, advocaat)
Verwerende partij: Europese Commissie (vertegenwoordigers: C. Berardis-Kayser en G. Berscheid, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit van de Commissie om verzoeker in het kader van de bevorderingsronde 2014 niet te bevorderen
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Elke partij draagt haar eigen kosten. |
(1) PB C 320 van 28.9.2015, blz. 57.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/36 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken (Tweede kamer) van 24 juni 2016 — Simpson/Raad
(Zaak F-142/11 RENV) (1)
((Openbare dienst - Terugverwijzing naar het Gerecht na vernietiging - Ambtenaren - Plaatsing in een hogere rang - Besluit om verzoeker, die is geslaagd voor een algemeen vergelijkend onderzoek van de rang AD 9, niet de rang AD 9 te geven - Motiveringsplicht - Gelijke behandeling - Kennelijk onjuiste beoordeling - Artikel 81 van het Reglement voor de procesvoering - Beroep kennelijk ongegrond))
(2016/C 287/44)
Procestaal: Engels
Partijen
Verzoekende partij: Erik Simpson (Brussel, België) (vertegenwoordiger: M. Velardo, advocaat)
Verwerende partij: Raad van de Europese Unie (vertegenwoordigers: M. Bauer en E. Rebasti, gemachtigden)
Voorwerp
Verzoek om nietigverklaring van het besluit om verzoeker niet te bevorderen naar de rang AD9 nadat hij was geslaagd voor vergelijkend onderzoek EPSO/AD/113/07 „Hoofden van een eenheid (AD 9) op het gebied van de vertaling met Tsjechisch, Ests, Hongaars, Litouws, Lets, Maltees, Pools, Slowaaks en Sloveens als hoofdtaal”, en verzoek om schadevergoeding
Dictum
1) |
Het beroep wordt verworpen. |
2) |
Simpson draagt zijn eigen kosten in de zaken F-142/11, T-130/14 P en F-142/11 RENV en wordt verwezen in de kosten van de Raad van de Europese Unie in zaak F-142/11. |
3) |
De Raad van de Europese Unie draagt zijn eigen kosten in de zaken T-130/14 P en F-142/11 RENV. |
(1) PB C 65 van 3.3.2012, blz. 26 (oorspronkelijke zaak)
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/37 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 27 juni 2016 — Gyarmathy/EWDD
(Zaak F-22/14) (1)
(2016/C 287/45)
Procestaal: Engels
De president van de Tweede kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
(1) PB C 235 van 21.7.2014, blz. 34.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/37 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 28 juni 2016 — Loquerie/Commissie
(Zaak F-115/14) (1)
(2016/C 287/46)
Procestaal: Frans
De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
(1) PB C 7 van 12.1.2015, blz. 55.
8.8.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
C 287/37 |
Beschikking van het Gerecht voor ambtenarenzaken van 28 juni 2016 — Loquerie/Commissie
(Zaak F-57/15) (1)
(2016/C 287/47)
Procestaal: Frans
De president van de Eerste kamer heeft de doorhaling van de zaak gelast.
(1) PB C 213 van 29.6.2015, blz. 46.